De Grot
الكهف
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
al-ḥamdu lillahi alladhī anzala ʿalā ʿabdihi l-kitāba walam yajʿal lahu ʿiwajā
Alle lof zij Allah, Die aan Zijn dienaar het Boek heeft gezonden, gaaf en volmaakt.
qayyiman liyundhira basan shadīdan min ladun'hu wayubashira l-mu'minīna alladhīna yaʿmalūna l-ṣāliḥāti anna lahum ajran ḥasanan
(Hij heeft het) rechtgeleid gemaakt, om te waarschuwen voor een strenge bestraffing van Hem en om goed nieuws te geven aan de gelovigen, die goede daden verrichten, dat zij een eerlijke beloning zullen krijgen.
mākithīna fīhi abadan
Zij zullen daarin voor altijd verblijven.
wayundhira alladhīna qālū ittakhadha l-lahu waladan
En diegenen te waarschuwen die zeggen: “Allah heeft Zich een zoon genomen.”
mā lahum bihi min ʿil'min walā liābāihim kaburat kalimatan takhruju min afwāhihim in yaqūlūna illā kadhiban
Zij hebben geen kennis over zulke zaken, noch hun vaderen. Slecht zijn de (godslasterlijke) woorden die zij in hun monden durven nemen! Zij vertellen niets anders dan leugens.
falaʿallaka bākhiʿun nafsaka ʿalā āthārihim in lam yu'minū bihādhā l-ḥadīthi asafan
Misschien zou jij (O Mohammed) je uit droefheid over hun voetstappen vernietigen uit verdriet want zij geloven niet in deze vertelling.
innā jaʿalnā mā ʿalā l-arḍi zīnatan lahā linabluwahum ayyuhum aḥsanu ʿamalan
Waarlijk! Wij hebben datgene wat er zich op aarde bevindt (zoals dieren, planten, bomen, waterbronnen) als haar versiering gemaakt, opdat Wij kunnen testen wie van hen uitblinkt in goede daden.
wa-innā lajāʿilūna mā ʿalayhā ṣaʿīdan juruzan
En waarlijk! Wij zullen alles wat daarop is tot droge naakte aarde maken.
am ḥasib'ta anna aṣḥāba l-kahfi wal-raqīmi kānū min āyātinā ʿajaban
Of denk jij (O Mohammed) dat de mensen van de Grot en de inscriptie een wonder onder Onze Tekenen waren?
idh awā l-fit'yatu ilā l-kahfi faqālū rabbanā ātinā min ladunka raḥmatan wahayyi lanā min amrinā rashadan
(Gedenk) toen de jonge mannen voor bescherming naar de Grot vluchtten, zij zeiden: “Onze Heer! Geef ons genade van U en mogelijkheden om onze zaak op de juiste manier te regelen!”
faḍarabnā ʿalā ādhānihim fī l-kahfi sinīna ʿadadan
En toen brachten Wij in de grot een sluier over hen aan (zodat zij sliepen), voor een bepaald aantal jaren.
thumma baʿathnāhum linaʿlama ayyu l-ḥiz'bayni aḥṣā limā labithū amadan
Toen lieten Wij hen herrijzen, zodat Wij hen konden testen wie van de twee partijen het beste was in het berekenen van de tijd die zij hadden verbleven.
naḥnu naquṣṣu ʿalayka naba-ahum bil-ḥaqi innahum fit'yatun āmanū birabbihim wazid'nāhum hudan
Wij vertellen aan jou in Waarheid hun verhaal: Waarlijk! Zij waren jonge mannen die in hun Heer geloofden, en Wij vermeerderden de Leiding voor hen.
warabaṭnā ʿalā qulūbihim idh qāmū faqālū rabbunā rabbu l-samāwāti wal-arḍi lan nadʿuwā min dūnihi ilāhan laqad qul'nā idhan shaṭaṭan
En Wij maakten hun harten standvastig en sterk, toen zij opstonden en zeiden: “Onze Heer is de Heer van de hemelen en de aarde, nooit zullen wij een andere god behalve Hem aanroepen; als wij dat deden zouden wij zeker een enorm ongeloof uitspreken.
hāulāi qawmunā ittakhadhū min dūnihi ālihatan lawlā yatūna ʿalayhim bisul'ṭānin bayyinin faman aẓlamu mimmani if'tarā ʿalā l-lahi kadhiban
Dit volk van ons heeft anderen goden in de aanbidding genomen dan Hij. Waarom brengen zij voor hen geen duidelijk beewijs? En wie maakt een grotere fout dan degene die leugens over Allah verzint?
wa-idhi iʿ'tazaltumūhum wamā yaʿbudūna illā l-laha fawū ilā l-kahfi yanshur lakum rabbukum min raḥmatihi wayuhayyi lakum min amrikum mir'faqan
“En als jullie je van hen (de ongelovigen) terugtrekken en van dat wat zij anders dan Allah aanbidden, zoek dan de toevlucht in de Grot, jullie Heer zal jullie een mogelijkheid geven uit Zijn genade en voor jullie in jullie zaak gemak brengen.”
watarā l-shamsa idhā ṭalaʿat tazāwaru ʿan kahfihim dhāta l-yamīni wa-idhā gharabat taqriḍuhum dhāta l-shimāli wahum fī fajwatin min'hu dhālika min āyāti l-lahi man yahdi l-lahu fahuwa l-muh'tadi waman yuḍ'lil falan tajida lahu waliyyan mur'shidan
En wellicht heb je de zon gezien, toen die opkwam rechts van de Grot en als zij ondergaat, keert zij zich af van hen naar de linkerkant, terwijl zij in het midden van de Grot lagen. Dat is (één) van de" Tekenen van Allah. Degene die Allah Leidt is rechtgeleid maar degene die Hij laat dwalen – voor hem vinden jullie geen gids om hem (op het rechte pad) te leiden.
wataḥsabuhum ayqāẓan wahum ruqūdun wanuqallibuhum dhāta l-yamīni wadhāta l-shimāli wakalbuhum bāsiṭun dhirāʿayhi bil-waṣīdi lawi iṭṭalaʿta ʿalayhim lawallayta min'hum firāran walamuli'ta min'hum ruʿ'ban
En (als je hen had gezien) dan zou je hebben gedacht dat zij wakker waren, maar (in werkelijkheid) sliepen zij (met hun ogen wijd geopend). En Wij draaiden hen op hun rechterkant en (dan weer) op hun linkerkant (om decubitus tegen te gaan), en hun (jacht) hond lag daar op de binnenplaats van de grot met gestrekte voorpoten in (de richting van) de ingang. Als je hen had had zien liggen (met hun wijd gesperde ogen), dan was je in volle afkeer van hen weggevlucht, en (bovendien) zou je (hart zich) voor hen zeker met een gevoel van angst (hebben gevuld).
wakadhālika baʿathnāhum liyatasāalū baynahum qāla qāilun min'hum kam labith'tum qālū labith'nā yawman aw baʿḍa yawmin qālū rabbukum aʿlamu bimā labith'tum fa-ib'ʿathū aḥadakum biwariqikum hādhihi ilā l-madīnati falyanẓur ayyuhā azkā ṭaʿāman falyatikum biriz'qin min'hu walyatalaṭṭaf walā yush'ʿiranna bikum aḥadan
Dus deden Wij hen ontwaken zodat zij elkaar konden ondervragen. Eén van hen zei: “Hoe lang zijn jullie (hier) geweest)?” Zij zeiden: “Wij zijn hier misschien een dag geweest of een deel van een dag.” Zij zeiden: “(Alleen) jullie Heer weet beter hoe lang jullie hier geweest zijn. Stuur dus één van jullie met een zilveren munt naar de stad en laat hem zien welk voedsel het beste is en laat hem daarvan wat naar jullie brengen. En laat hem voorzichtig zijn en laat niemand hem omtrent ons inlichten.”
innahum in yaẓharū ʿalaykum yarjumūkum aw yuʿīdūkum fī millatihim walan tuf'liḥū idhan abadan
Want als zij er achter komen wie jullie zijn, zullen zij jullie stenigen, of jullie terug doen keren tot hun godsdienst en op die manier zullen jullie nooit slagen.”