De Neerknieling
السجدة
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
alif-lam-meem
Alif, Lām, Mīm.
tanzīlu l-kitābi lā rayba fīhi min rabbi l-ʿālamīna
De openbaring van het Boek is van de Heer der werelden waarover geen twijfel is.
am yaqūlūna if'tarāhu bal huwa l-ḥaqu min rabbika litundhira qawman mā atāhum min nadhīrin min qablika laʿallahum yahtadūna
Of zeggen zij: “Hij (Mohammed) heeft het verzonnen!” Nee, het is de Waarheid van jouw Heer, zodat je de mensen kunt waarschuwen waarvoor nog geen waarschuwer vόόr jou is gekomen, zodat zij geleid zijn.
al-lahu alladhī khalaqa l-samāwāti wal-arḍa wamā baynahumā fī sittati ayyāmin thumma is'tawā ʿalā l-ʿarshi mā lakum min dūnihi min waliyyin walā shafīʿin afalā tatadhakkarūna
Allah is Degene Die de hemelen en de aarde en alles wat daartussen is heeft geschapen in zes dagen. Toen zetelde Hij zich op de Troon. Er is voor jullie buiten Allah geen beschermer of bemiddelaar. Laten jullie je dan niet vermanen?
yudabbiru l-amra mina l-samāi ilā l-arḍi thumma yaʿruju ilayhi fī yawmin kāna miq'dāruhu alfa sanatin mimmā taʿuddūna
Hij regelt (alle) zaken vanuit de hemel naar de aarde, dan zal het (de zaak) op een dag, die een duizend jaar van jullie berekening duurt, naar Hem opstijgen.
dhālika ʿālimu l-ghaybi wal-shahādati l-ʿazīzu l-raḥīmu
Dat is Hij, de Alwetende van het onzichtbare en het zichtbare, de Almachtige, de Genadevolste.
alladhī aḥsana kulla shayin khalaqahu wabada-a khalqa l-insāni min ṭīnin
Degene Die alles wat Hij heeft geschapen, in de beste vorm heeft gegoten. En Hij begon de schepping van de mens uit klei.
thumma jaʿala naslahu min sulālatin min māin mahīnin
Toen maakte Hij zijn nageslacht van een uitttreksel van nederig water (sperma).
thumma sawwāhu wanafakha fīhi min rūḥihi wajaʿala lakumu l-samʿa wal-abṣāra wal-afidata qalīlan mā tashkurūna
Vervolgens voltooide Hij zijn schepping (in de juiste maten en verhoudingen), waarop Hij (een Engel zond om) hem te bezielen (met de levensadem) en Hij gaf jullie het gehoor (om geluiden op te vangen), het gezichtsvermogen (om kleuren te onderscheiden) en harten (om af te wegen tussen goed en slecht, nut en schade). (En toch) is de dank die jullie betuigen (voor deze gunsten) gering!"
waqālū a-idhā ḍalalnā fī l-arḍi a-innā lafī khalqin jadīdin bal hum biliqāi rabbihim kāfirūna
En zij zeiden: “Als wij in de aarde zijn vergaan, zullen wij dan echt opnieuw geschapen worden?” Nee, maar zij ontkennen de ontmoeting met hun Heer!
qul yatawaffākum malaku l-mawti alladhī wukkila bikum thumma ilā rabbikum tur'jaʿūna
Zeg (O Mohammed): “De Engel des doods die over jullie beschikt zal jullie zielen nemen. Dan zullen jullie tot jullie Heer gebracht worden.”
walaw tarā idhi l-muj'rimūna nākisū ruūsihim ʿinda rabbihim rabbanā abṣarnā wasamiʿ'nā fa-ir'jiʿ'nā naʿmal ṣāliḥan innā mūqinūna
En als jullie maar konden zien wanneer de misdadigers hun hoofd voor hun Heer lieten hangen (zeggende): “Onze Heer! Wij hebben het nu gezien en gehoord, stuur ons dus terug, wij zullen goede daden verrichten. Waarlijk! Wij geloven nu met zekerheid.”
walaw shi'nā laātaynā kulla nafsin hudāhā walākin ḥaqqa l-qawlu minnī la-amla-anna jahannama mina l-jinati wal-nāsi ajmaʿīna
En als Wij wilden, zeker! Dan zouden Wij iedere ziel haar Leiding geven, Maar het Woord is door Mij bepaald: dat Ik de Hel met zowel Djinn als mensen zal vullen.
fadhūqū bimā nasītum liqāa yawmikum hādhā innā nasīnākum wadhūqū ʿadhāba l-khul'di bimā kuntum taʿmalūna
Proeven jullie dan (de bestraffing) omdat jullie de ontmoeting van deze Dag vergaten. Wij zullen jullie ook vergeten. Proef dus de eeuwige bestraffing voor wat jullie plachten te doen.
innamā yu'minu biāyātinā alladhīna idhā dhukkirū bihā kharrū sujjadan wasabbaḥū biḥamdi rabbihim wahum lā yastakbirūna
Gelovig aan Onze Tekenen zijn slechts die, wanneer zij ermee vermaand worden op hun knieën vallen, en hun Heer verheerlijken en prijzen en zij, die niet trots zijn.
tatajāfā junūbuhum ʿani l-maḍājiʿi yadʿūna rabbahum khawfan waṭamaʿan wamimmā razaqnāhum yunfiqūna
Hun zijden verzaken hun bedden, Zij roepen hun Heer aan vol hoop en vrees, en geven uit (aan liefdadigheid) van hetgeen waarmee Wij hen hebben voorzien..
falā taʿlamu nafsun mā ukh'fiya lahum min qurrati aʿyunin jazāan bimā kānū yaʿmalūna
Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen.
afaman kāna mu'minan kaman kāna fāsiqan lā yastawūna
Is wie een gelovige is gelijk aan degene die verdorven is? Zij zijn niet gelijk.
ammā alladhīna āmanū waʿamilū l-ṣāliḥāti falahum jannātu l-mawā nuzulan bimā kānū yaʿmalūna
Wat betreft degenen die geloven en goede daden verrichten: voor hen zijn er de Tuinen (het Paradijs) als verblijfplaats, als ontvangst voor wat zij plachten te doen.
wa-ammā alladhīna fasaqū famawāhumu l-nāru kullamā arādū an yakhrujū min'hā uʿīdū fīhā waqīla lahum dhūqū ʿadhāba l-nāri alladhī kuntum bihi tukadhibūna
En voor degenen die verdorven zijn: hun verblijfplaats zal het Vuur zijn. Iedere keer als zij "daarvan weg willen, worden zij daar teruggebracht, en er zal tegen hen gezegd worden: “Proef de bestraffing van het Vuur die jullie plachten te ontkennen.”