De Bondgenoten
الأحزاب
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
yāayyuhā l-nabiyu ittaqi l-laha walā tuṭiʿi l-kāfirīna wal-munāfiqīna inna l-laha kāna ʿalīman ḥakīman
O Profeet! Onderhoud je verplichtingen tot Allah en gehoorzaam de ongelovigen en de hypocrieten niet. Waarlijk! Allah is altijd Alwetend, Alwijs.
wa-ittabiʿ mā yūḥā ilayka min rabbika inna l-laha kāna bimā taʿmalūna khabīran
En volg dat wat aan jou is geopenbaard van jouw Heer. Waarlijk, Allah is zich goedbewust van wat jij doet.
watawakkal ʿalā l-lahi wakafā bil-lahi wakīlan
En leg je vertrouwen in Allah en Allah is voldoende als Beschermer.
mā jaʿala l-lahu lirajulin min qalbayni fī jawfihi wamā jaʿala azwājakumu allāī tuẓāhirūna min'hunna ummahātikum wamā jaʿala adʿiyāakum abnāakum dhālikum qawlukum bi-afwāhikum wal-lahu yaqūlu l-ḥaqa wahuwa yahdī l-sabīla
Allah heeft geen enkel mens twee harten in zijn lichaam gegeven (wat dus wil zeggen dat ongeloof en geloof niet in hetzelfde hart kunnen huizen). Noch heeft Hij jullie vrouwen van wie jij wegblijft door haar ‘moeder’ te noemen, tot uw moeders gemaakt. Noch heeft Hij jullie geadopteerde zonen tot jullie (echte) zonen gemaakt. Dat zijn slechts woorden uit jullie monden. Maar Allah spreekt de Waarheid en Hij leidt naar de (juiste) Weg.
id'ʿūhum liābāihim huwa aqsaṭu ʿinda l-lahi fa-in lam taʿlamū ābāahum fa-ikh'wānukum fī l-dīni wamawālīkum walaysa ʿalaykum junāḥun fīmā akhṭatum bihi walākin mā taʿammadat qulūbukum wakāna l-lahu ghafūran raḥīman
Noem hen bij (de namen van) hun vaders, dat is juister (en rechtvaardiger) in het aangezicht van Allah. Maar als jullie hun (echte) vaders niet kennen (noem hen dan) jullie broeders in geloof (waarin jullie werden samengebracht) of jullie vrienden. En er rust geen zonde op jullie als jullie (onbewust) een fout begaan, maar wel in wat jullie harten zich hebben voorgenomen. En Allah is Vergevingsgezind, Genadevol.
al-nabiyu awlā bil-mu'minīna min anfusihim wa-azwājuhu ummahātuhum wa-ulū l-arḥāmi baʿḍuhum awlā bibaʿḍin fī kitābi l-lahi mina l-mu'minīna wal-muhājirīna illā an tafʿalū ilā awliyāikum maʿrūfan kāna dhālika fī l-kitābi masṭūran
De Profeet is dichter bij de gelovigen" dan zijzelf. En zijn vrouwen zijn hun moeders. En bloedverwanten zijn meer nabij (in erfrecht) volgens het Boek van Allah dan de (broederschap der) gelovigen en de emigranten, behalve wanneer jullie voor jullie broeders (in het geloof) een goede daad willen verrichten (in het testament). Dat staat in (Allah’s boek van goddelijke) besluiten neergeschreven.
wa-idh akhadhnā mina l-nabiyīna mīthāqahum waminka wamin nūḥin wa-ib'rāhīma wamūsā waʿīsā ib'ni maryama wa-akhadhnā min'hum mīthāqan ghalīẓan
En (gedenk) toen Wij met de Profeten hun verbond aangingen en met jou (O Mohammed), en met Noah, Ibrahim, Mozes en Isa, de zoon van Maryam. Wij gingen met hen een plechtig verbond aan.
liyasala l-ṣādiqīna ʿan ṣid'qihim wa-aʿadda lil'kāfirīna ʿadhāban alīman
Opdat Hij de waarachtigen over hun waarachtigheid zal ondervragen. En Hij heeft voor de ongelovigen een pijnlijke bestraffing voorbereid.
yāayyuhā alladhīna āmanū udh'kurū niʿ'mata l-lahi ʿalaykum idh jāatkum junūdun fa-arsalnā ʿalayhim rīḥan wajunūdan lam tarawhā wakāna l-lahu bimā taʿmalūna baṣīran
O jullie die geloven! Gedenk Allah’s gunst aan jullie toen jullie een leger tegenkwamen en Wij wind en een leger (van Engelen) tegen hen stuurden die jullie niet gezien hebben. En Allah is Alziende van wat jullie doen.
idh jāūkum min fawqikum wamin asfala minkum wa-idh zāghati l-abṣāru wabalaghati l-qulūbu l-ḥanājira wataẓunnūna bil-lahi l-ẓunūnā
En toen zij tot jullie kwamen, van boven jullie en van onder jullie, en toen de ogen staarden en de harten in hun kelen klopten, en toen jullie twijfels over Allah hadden.
hunālika ub'tuliya l-mu'minūna wazul'zilū zil'zālan shadīdan
Daar werden de gelovigen beproefd en door een zware beproeving door elkaar geschud.
wa-idh yaqūlu l-munāfiqūna wa-alladhīna fī qulūbihim maraḍun mā waʿadanā l-lahu warasūluhu illā ghurūran
En toen de hypocrieten en degenen in wiens harten een ziekte is zeiden: “Allah en Zijn Boodschapper hebben ons niets dan ontgoocheling beloofd!”
wa-idh qālat ṭāifatun min'hum yāahla yathriba lā muqāma lakum fa-ir'jiʿū wayastadhinu farīqun min'humu l-nabiya yaqūlūna inna buyūtanā ʿawratun wamā hiya biʿawratin in yurīdūna illā firāran
En toen een deel van hen zei: “O mensen van Yatrib! Jullie kunnen hier geen stand houden, trek je daarom terug!” En een deel van hen vroeg ontheffing van de Profeet (zeggende): “Waarlijk onze huizen liggen open.” En zij "lagen niet open. Maar zij wensten te vluchten.
walaw dukhilat ʿalayhim min aqṭārihā thumma su-ilū l-fit'nata laātawhā wamā talabbathū bihā illā yasīran
En als de vijand van alle kanten naar binnen was gekomen en zij gevraagd zouden worden de beproeving (te doorstaan), dan zouden zij dat gedaan hebben en zij hadden daarvoor maar weinig getwijfeld.
walaqad kānū ʿāhadū l-laha min qablu lā yuwallūna l-adbāra wakāna ʿahdu l-lahi masūlan
En voorwaar, zij hadden reeds een verdrag met Allah afgesloten: dat zij niet hun ruggen zouden toekeren. En het verdrag met Allah moet opgevolgd worden.
qul lan yanfaʿakumu l-firāru in farartum mina l-mawti awi l-qatli wa-idhan lā tumattaʿūna illā qalīlan
Zeg (O Mohammed): ”Vluchten zal jullie niet baten. Als jullie zouden vluchten voor de dood of het doden, dan zullen jullie niet meer dan een korte stonde daarvan genieten!”
qul man dhā alladhī yaʿṣimukum mina l-lahi in arāda bikum sūan aw arāda bikum raḥmatan walā yajidūna lahum min dūni l-lahi waliyyan walā naṣīran
Zeg : “Wie is het die jullie tegen Allah kan beschermen als Hij zich voorgenomen heeft om jullie te kwetsen, of als Hij voor jullie genade wenst? En zij zullen voor zichzelf naast Allah geen beschermer of helper vinden.
qad yaʿlamu l-lahu l-muʿawiqīna minkum wal-qāilīna li-ikh'wānihim halumma ilaynā walā yatūna l-basa illā qalīlan
Allah kent reeds degenen onder jullie die de (mannen) van het vechten voor Allah’s zaak tegenhouden en die tegen hun broeders zeggen: “Kom hier naar ons,” terwijl zij (zelf) maar weinig tot de strijd komen.
ashiḥḥatan ʿalaykum fa-idhā jāa l-khawfu ra-aytahum yanẓurūna ilayka tadūru aʿyunuhum ka-alladhī yugh'shā ʿalayhi mina l-mawti fa-idhā dhahaba l-khawfu salaqūkum bi-alsinatin ḥidādin ashiḥḥatan ʿalā l-khayri ulāika lam yu'minū fa-aḥbaṭa l-lahu aʿmālahum wakāna dhālika ʿalā l-lahi yasīran
Zij (de huichelaars) zijn gierig tegenover jullie. Als de vrees dan komt, zie jij hen naar jou kijken, hun ogen zoals (iemand) die vreest, omdat hij de dood in de ogen ziet, maar als de vrees verdwijnt, dan zullen zij jullie met scherpe tongen beschimpen, terwijl zij gierig zijn met het goede. Zij zijn degenen die niet geloven. Daarom maakt Allah hun daden vruchteloos en dat is altijd gemakkelijk voor Allah.
yaḥsabūna l-aḥzāba lam yadhhabū wa-in yati l-aḥzābu yawaddū law annahum bādūna fī l-aʿrābi yasalūna ʿan anbāikum walaw kānū fīkum mā qātalū illā qalīlan
Zij denken dat de partijen nog niet zijn weggetrokken. En als de partijen (weer) zouden terugkomen, dan zouden zij wensen dat zij zich bij de zwervende Arabieren in de woestijn bevonden, vragend naar nieuws over jullie. En als zij zich onder jullie zouden bevinden, dan zouden zij niet strijden.