De Zandduinen
الأحقاف
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
hha-meem
Hā Mīm.
tanzīlu l-kitābi mina l-lahi l-ʿazīzi l-ḥakīmi
De openbaring van het Boek is van Allah, de Almachtige, de Alwijze.
mā khalaqnā l-samāwāti wal-arḍa wamā baynahumā illā bil-ḥaqi wa-ajalin musamman wa-alladhīna kafarū ʿammā undhirū muʿ'riḍūna
Wij hebben de hemelen en de aarde en alles wat daar tussen is niet anders dan in waarheid geschapen en voor een vastgestelde termijn. Maar de ongelovigen keren zich af van dat, waarvoor zij gewaarschuwd zijn.
qul ara-aytum mā tadʿūna min dūni l-lahi arūnī mādhā khalaqū mina l-arḍi am lahum shir'kun fī l-samāwāti i'tūnī bikitābin min qabli hādhā aw athāratin min ʿil'min in kuntum ṣādiqīna
Zeg (O Mohammed): “Wisten jullie wat jullie naast Allah aanriepen? Toon mij wat zij geschapen hebben van de aarde, of hebben zij soms een aandeel in de schepping van de hemelen? Breng mij een boek van vόόr deze (Koran) of een overblijfsel van kennis, als jullie waarachtig zijn.”
waman aḍallu mimman yadʿū min dūni l-lahi man lā yastajību lahu ilā yawmi l-qiyāmati wahum ʿan duʿāihim ghāfilūna
En wie is er verder afgedwaald dan hij die naast Allah afgoden aanbidt die hem, tot de Dag der Opstanding, niet kunnen verhoren? En die zich (zelfs) niet bewust zijn van hun aanroepingen (tot hen).
wa-idhā ḥushira l-nāsu kānū lahum aʿdāan wakānū biʿibādatihim kāfirīna
En als de mensheid verzameld is worden zij vijanden voor hen en zullen zij hun aanbidding ontkennen.
wa-idhā tut'lā ʿalayhim āyātunā bayyinātin qāla alladhīna kafarū lil'ḥaqqi lammā jāahum hādhā siḥ'run mubīnun
En als Onze duidelijke Verzen aan hen" worden voorgedragen, dan zeggen de ongelovigen over de Waarheid als die tot hen komt: “Dit is duidelijke tovenarij!”
am yaqūlūna if'tarāhu qul ini if'taraytuhu falā tamlikūna lī mina l-lahi shayan huwa aʿlamu bimā tufīḍūna fīhi kafā bihi shahīdan baynī wabaynakum wahuwa l-ghafūru l-raḥīmu
Of zij zeggen: “Hij heeft het verzonnen.” Zeg: “Als ik het had verzonnen, dan zouden jullie geen enkele macht hebben om mij tegen Allah te beschermen. Hij weet het best wat jullie hierover tegen elkaar zeggen. Hij is als Getuige tussen jullie en mij voldoende! En Hij is de Vergevingsgezinde, de Barmhartige.”
qul mā kuntu bid'ʿan mina l-rusuli wamā adrī mā yuf'ʿalu bī walā bikum in attabiʿu illā mā yūḥā ilayya wamā anā illā nadhīrun mubīnun
Zeg: “Ik ben geen nieuwe Boodschapper. Noch weet ik wat er met mij of jullie zal gebeuren. Ik volg slechts wat aan mij geopenbaard is, en ik ben niets anders dan een duidelijke waarschuwer.”
qul ara-aytum in kāna min ʿindi l-lahi wakafartum bihi washahida shāhidun min banī is'rāīla ʿalā mith'lihi faāmana wa-is'takbartum inna l-laha lā yahdī l-qawma l-ẓālimīna
Zeg: “Vertel mij! Als dit van Allah is, en jullie ontkennen het, terwijl er een getuige van de Kinderen van Israël verklaart dat deze Koran van Allah is, dus hij geloofde terwijl jullie te trots zijn.” Waarlijk! Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.
waqāla alladhīna kafarū lilladhīna āmanū law kāna khayran mā sabaqūnā ilayhi wa-idh lam yahtadū bihi fasayaqūlūna hādhā if'kun qadīmun
En degenen die ongelovig zijn zeggen tegen degenen die geloven: “Als het iets goeds was, dan zouden zij ons niet voorgaan daarin (te geloven).” En omdat zij zich er niet door laten leiden, zullen zij zeggen: “Dit is een oude leugen!”
wamin qablihi kitābu mūsā imāman waraḥmatan wahādhā kitābun muṣaddiqun lisānan ʿarabiyyan liyundhira alladhīna ẓalamū wabush'rā lil'muḥ'sinīna
En ervόόr was het Boek van Mozes als een leiding en een Genade. En dit Boek bevestigt (het) in de Arabische taal, om degenen die zondigen te waarschuwen en om goede berichten te brengen aan de weldoeners.
inna alladhīna qālū rabbunā l-lahu thumma is'taqāmū falā khawfun ʿalayhim walā hum yaḥzanūna
Waarlijk, degenen die zeggen: “Onze Heer is Allah,” en die vervolgens standvastig zijn: voor hen zal er geen angst zijn, noch zullen zij bedroefd zijn.
ulāika aṣḥābu l-janati khālidīna fīhā jazāan bimā kānū yaʿmalūna
Zij zijn de bewoners van het Paradijs, daarin zijn zij eeuwig levenden, als een beloning voor wat zij plachten te doen.
wawaṣṣaynā l-insāna biwālidayhi iḥ'sānan ḥamalathu ummuhu kur'han wawaḍaʿathu kur'han waḥamluhu wafiṣāluhu thalāthūna shahran ḥattā idhā balagha ashuddahu wabalagha arbaʿīna sanatan qāla rabbi awziʿ'nī an ashkura niʿ'mataka allatī anʿamta ʿalayya waʿalā wālidayya wa-an aʿmala ṣāliḥan tarḍāhu wa-aṣliḥ lī fī dhurriyyatī innī tub'tu ilayka wa-innī mina l-mus'limīna
En Wij hebben de mens goedheid tegenover zijn ouders bevolen. Zijn moeder heeft hem met moeite gedragen en hem met moeite gebaard. De zwangerschap en (de tijd van) het zogen van hem is dertig maanden, zodat wanneer hij de volwassenheid bereikt, en hij de leeftijd van veertig jaar bereikt, hij zegt: “Mijn Heer! Geef mij de kracht en de mogelijkheid om dankbaar te zijn voor Uw genietingen die U mij en mijn ouders heeft gegeven, opdat ik goede daden mag verrichten die U genoegen doen en maak mijn nageslacht rechtschapen. Waarlijk, ik toon U mijn berouw, (want) ik behoor tot de moslims.”
ulāika alladhīna nataqabbalu ʿanhum aḥsana mā ʿamilū wanatajāwazu ʿan sayyiātihim fī aṣḥābi l-janati waʿda l-ṣid'qi alladhī kānū yūʿadūna
Zij zijn degenen van wie Wij het beste aanvaarden van wat zij verrichten, en Wij wissen hun slechte daden uit. (Zij zijn) tezamen met de bewoners van het Paradijs, als een ware belofte die hun is gedaan.
wa-alladhī qāla liwālidayhi uffin lakumā ataʿidāninī an ukh'raja waqad khalati l-qurūnu min qablī wahumā yastaghīthāni l-laha waylaka āmin inna waʿda l-lahi ḥaqqun fayaqūlu mā hādhā illā asāṭīru l-awalīna
Maar degene die tegen zijn ouders zegt: “Foei jullie! Waarschuwen jullie mij dat ik opgewekt zal worden, terwijl de generaties voor mij overleden zijn (en er nog niet een is opgestaan uit zijn graf).” Dan roepen zij (de ouders) Allah aan voor hulp (en zeggen tegen hun kind): “Wee voor jouw Geloof! Waarlijk, de belofte van Allah is waar.” Maar hij zegt: “Dit zijn niet anders dan verhalen van de vroegeren.”
ulāika alladhīna ḥaqqa ʿalayhimu l-qawlu fī umamin qad khalat min qablihim mina l-jini wal-insi innahum kānū khāsirīna
Zij zijn degenen over wie het woord (van bestraffing) bewaarheid zal worden onder de voorafgaande generaties van Djinn en mensen. Waarlijk! Zij waren verliezers.
walikullin darajātun mimmā ʿamilū waliyuwaffiyahum aʿmālahum wahum lā yuẓ'lamūna
En voor allen (gelovig of ongelovig) zullen er gradaties zijn (in de hemel of de hel), in overeenstemming met hun daden. Opdat (Allah) hen volledig voor hun daden zal vergelden. Zonder dat hen daarbij onrecht wordt aangedaan.
wayawma yuʿ'raḍu alladhīna kafarū ʿalā l-nāri adhhabtum ṭayyibātikum fī ḥayātikumu l-dun'yā wa-is'tamtaʿtum bihā fal-yawma tuj'zawna ʿadhāba l-hūni bimā kuntum tastakbirūna fī l-arḍi bighayri l-ḥaqi wabimā kuntum tafsuqūna
De Dag waarop zij die ongelovig waren, aan het Vuur zullen blootgesteld worden. (Hun zal gezegd worden): “Jullie verbruikten jullie goede dingen tijdens jullie wereldse leven en jullie hebben ervan genoten! Op deze dag zullen jullie vergolden worden met een vernederende bestraffing want jullie liepen onterecht hoogmoedig over het land en (daarenboven) leefden jullie in zonde en losbandigheid.”