De Slagorde
الصف
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
sabbaḥa lillahi mā fī l-samāwāti wamā fī l-arḍi wahuwa l-ʿazīzu l-ḥakīmu
Wat in de hemelen en op aarde is prijst de Glorie van Allah. En Hij is de Almachtige, de Alwijze.
yāayyuhā alladhīna āmanū lima taqūlūna mā lā tafʿalūna
O, jullie die geloven! Waarom zeggen jullie wat jullie niet doen?
kabura maqtan ʿinda l-lahi an taqūlū mā lā tafʿalūna
Groot is de woede bij Allah dat jullie zeggen wat jullie niet doen.
inna l-laha yuḥibbu alladhīna yuqātilūna fī sabīlihi ṣaffan ka-annahum bun'yānun marṣūṣun
Waarlijk, Allah houdt van degenen, die voor Zijn zaak in rijen vechten alsof zij een hechte muur vormen.
wa-idh qāla mūsā liqawmihi yāqawmi lima tu'dhūnanī waqad taʿlamūna annī rasūlu l-lahi ilaykum falammā zāghū azāgha l-lahu qulūbahum wal-lahu lā yahdī l-qawma l-fāsiqīna
En (gedenk) toen Mozes tegen zijn volk zei: “O mijn volk! Waarom kwetsen jullie mij terwijl jullie zeker weten dat ik voor jullie de Boodschapper van Allah ben?” Dus toen zij zich afkeerden (van de Waarheid d.m.v. hun beledigingen), liet Allah hun harten dwalen. En Allah leidt geen volk dat verdorven is.
wa-idh qāla ʿīsā ub'nu maryama yābanī is'rāīla innī rasūlu l-lahi ilaykum muṣaddiqan limā bayna yadayya mina l-tawrāti wamubashiran birasūlin yatī min baʿdī us'muhu aḥmadu falammā jāahum bil-bayināti qālū hādhā siḥ'run mubīnun
En (gedenk) toen Isa, de zoon van Maryam zei: “O, Kinderen van Israël! Ik ben voor jullie de Boodschapper van Allah, ter bevestiging van wat er vóór mij is van de Thora en ik breng jullie het goede nieuws over een Boodschapper die na mij komt, zijn naam is Ahmed Maar wanneer Toen hij dan met de "duidelijke bewijzen tot hen kwam, zeiden zij: “Dat is duidelijke toverij.”
waman aẓlamu mimmani if'tarā ʿalā l-lahi l-kadhiba wahuwa yud'ʿā ilā l-is'lāmi wal-lahu lā yahdī l-qawma l-ẓālimīna
En wie begaat er een grotere zonde dan degene die een leugen over Allah verzint, terwijl hij tot de islam wordt uitgenodigd? En Allah leidt geen volk dat onrechtvaardig is.
yurīdūna liyuṭ'fiū nūra l-lahi bi-afwāhihim wal-lahu mutimmu nūrihi walaw kariha l-kāfirūna
Zij wensen het licht van Allah met hun monden te doven. Maar Allah zal Zijn licht vervolmaken zelfs als de ongelovigen (het) haten.
huwa alladhī arsala rasūlahu bil-hudā wadīni l-ḥaqi liyuẓ'hirahu ʿalā l-dīni kullihi walaw kariha l-mush'rikūna
Hij is Degene Die Zijn Boodschapper heeft gezonden met de Leiding en de ware godsdienst om deze te laten zegevieren over alle (vormen van) godsdienst, zelfs als de afgodendienaars (het) haten.
yāayyuhā alladhīna āmanū hal adullukum ʿalā tijāratin tunjīkum min ʿadhābin alīmin
O, jullie die geloven! Zal ik jullie naar een zaak leiden die jullie van een pijnlijke bestraffing zal redden?
tu'minūna bil-lahi warasūlihi watujāhidūna fī sabīli l-lahi bi-amwālikum wa-anfusikum dhālikum khayrun lakum in kuntum taʿlamūna
(Het is) Dat jullie in Allah en Zijn Boodschapper geloven, en dat jullie hard streven en vechten voor de Zaak van Allah, met jullie rijkdom en jullie leven, dat is beter voor jullie, als jullie het wisten!
yaghfir lakum dhunūbakum wayud'khil'kum jannātin tajrī min taḥtihā l-anhāru wamasākina ṭayyibatan fī jannāti ʿadnin dhālika l-fawzu l-ʿaẓīmu
Hij zal jullie zonden vergeven en jullie naar de Tuinen verwijzen waar rivieren onder door stromen. En (Hij schenkt) een goede woonplaats in de Tuinen der eeuwigheid, dat is voorzeker een groot succes.
wa-ukh'rā tuḥibbūnahā naṣrun mina l-lahi wafatḥun qarībun wabashiri l-mu'minīna
En (Hij schenkt) nog iets waar jullie van houden: hulp van Allah en een nabije overwinning. En geef goed nieuws aan de gelovigen.
yāayyuhā alladhīna āmanū kūnū anṣāra l-lahi kamā qāla ʿīsā ub'nu maryama lil'ḥawāriyyīna man anṣārī ilā l-lahi qāla l-ḥawāriyūna naḥnu anṣāru l-lahi faāmanat ṭāifatun min banī is'rāīla wakafarat ṭāifatun fa-ayyadnā alladhīna āmanū ʿalā ʿaduwwihim fa-aṣbaḥū ẓāhirīna
O, jullie die geloven! Wees helpers van (de godsdienst van) Allah, zoals Isa, de zoon van Maryam, tegen de metgezellen zei: ""Wie zijn mijn helpers voor (de oproep) tot Allah?” De metgezellen zeiden: “Wij zijn Allah’s helpers.” Waarop een deel van de Kinderen van Israël geloofde en een ander deel niet geloofde. Maar Wij hielpen de gelovigen tegen hun vijand en zij werden overwinnaars.