De Hoogten
الأعراف
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
alif-lam-meem-sad
Alif, Lām, Mīm, Sād.
kitābun unzila ilayka falā yakun fī ṣadrika ḥarajun min'hu litundhira bihi wadhik'rā lil'mu'minīna
(Dit is) een Boek wat aan jou (Mohammed) neergezonden is, laat er daarom geen bedruktheid in jouw borst zijn vanwege deze (Koran). Het Boek is een waarschuwing en een overdenking voor de gelovigen.
ittabiʿū mā unzila ilaykum min rabbikum walā tattabiʿū min dūnihi awliyāa qalīlan mā tadhakkarūna
Volg dan hetgeen aan jullie is neergezonden van jullie Heer en volg buiten Hem geen leiders. Weinig is het dat jullie je laten vermanen.
wakam min qaryatin ahlaknāhā fajāahā basunā bayātan aw hum qāilūna
En een groot aantal steden vernietigden Wij. Onze bestraffing kwam over hen gedurende de nacht, of terwijl zij hun middagslaap deden.
famā kāna daʿwāhum idh jāahum basunā illā an qālū innā kunnā ẓālimīna
En hun smeekbede, toen Onze bestraffing tot hen kwam, was slechts dat zij zeiden: “Waarlijk, wij waren onrechtvaardigen.”
falanasalanna alladhīna ur'sila ilayhim walanasalanna l-mur'salīna
Dan zeker, zullen Wij die (mensen) ondervragen aan wie (Profeten) gezonden waren en waarlijk, Wij zullen de Boodschappers ondervragen.
falanaquṣṣanna ʿalayhim biʿil'min wamā kunnā ghāibīna
Dan zeker, Wij zullen hen (het hele verhaal) met kennis vertellen en Wij waren zeker niet afwezig.
wal-waznu yawma-idhin l-ḥaqu faman thaqulat mawāzīnuhu fa-ulāika humu l-muf'liḥūna
En het afwegen (van de daden) op de Dag (van de Afrekening) zal de werkelijke (balans) aangeven. De (ware) overwinnaars zijn zij van wie de weegschaal (met hasanaat) zwaarder (door)weegt.
waman khaffat mawāzīnuhu fa-ulāika alladhīna khasirū anfusahum bimā kānū biāyātinā yaẓlimūna
En zij die een lichte schaal hebben (door zonden), dat zijn de (ware) verliezers omdat zij Onze Verzen plachten te ontkennen.
walaqad makkannākum fī l-arḍi wajaʿalnā lakum fīhā maʿāyisha qalīlan mā tashkurūna
En zeker, Wij gaven jullie gezag over de aarde en wezen voor jullie daarin levensonderhoud aan. Weinig is de dank die jullie geven.
walaqad khalaqnākum thumma ṣawwarnākum thumma qul'nā lil'malāikati us'judū liādama fasajadū illā ib'līsa lam yakun mina l-sājidīna
En zeker, Wij hebben jullie geschapen en hebben jullie vorm gegeven. Toen hebben Wij de Engelen verteld: “Kniel neer voor Adam,” en zij knielden neer, behalve Iblies: hij weigerde om één van de knielenden te zijn.
qāla mā manaʿaka allā tasjuda idh amartuka qāla anā khayrun min'hu khalaqtanī min nārin wakhalaqtahu min ṭīnin
Hij (Allah) zei: “Wat weerhoud je ervan om te knielen wanneer Ik jou dat beveel?” Iblies zei: “Ik ben beter dan hem. Mij heeft U van vuur geschapen terwijl U hem van klei hebt geschapen.”
qāla fa-ih'biṭ min'hā famā yakūnu laka an tatakabbara fīhā fa-ukh'ruj innaka mina l-ṣāghirīna
Hij (Allah) zei: “Daal af uit dit Paradijs, het is niet aan jou om hier hooghartig te zijn. Ga weg, want jij bent iemand die vernederd en verworpen is.”
qāla anẓir'nī ilā yawmi yub'ʿathūna
Hij (Iblies) zei: “Geef mij uitstel tot de Dag waarop zij allen herrijzen.”
qāla innaka mina l-munẓarīna
Hij (Allah) zei: “Jij bent één van degenen die uitstel heeft gekregen (tot aan de eerste bazuinstoot).”
qāla fabimā aghwaytanī la-aqʿudanna lahum ṣirāṭaka l-mus'taqīma
Hij (Iblies) zei: “En omdat U mij hebt doen dwalen, zal ik hen (de kinderen van Adam) belemmeren op het rechte Pad (dat naar U leidt).
thumma laātiyannahum min bayni aydīhim wamin khalfihim waʿan aymānihim waʿan shamāilihim walā tajidu aktharahum shākirīna
Vervolgens benader ik hen langs voor en langs achter, van links en van rechts. En de meesten van hen zult U niet als dankbare (gelovigen) ontmoeten.”
qāla ukh'ruj min'hā madhūman madḥūran laman tabiʿaka min'hum la-amla-anna jahannama minkum ajmaʿīna
Hij (Allah) zei (tegen Iblies): “Verlaat dit (Paradijs) verworpen en uitgebannen. Wie van (de mensheid) jou volgt, daar zal Ik zeker de Hel mee vullen.”
wayāādamu us'kun anta wazawjuka l-janata fakulā min ḥaythu shi'tumā walā taqrabā hādhihi l-shajarata fatakūnā mina l-ẓālimīna
“En, O Adam! Woon met je vrouw in het Paradijs en eet wat jullie beiden wensen, maar nader niet deze boom, want anders zullen jullie beiden tot de onrechtvaardigen behoren.”
fawaswasa lahumā l-shayṭānu liyub'diya lahumā mā wūriya ʿanhumā min sawātihimā waqāla mā nahākumā rabbukumā ʿan hādhihi l-shajarati illā an takūnā malakayni aw takūnā mina l-khālidīna
Toen fluisterde Satan hen beiden gedachten in om datgene wat van hun geslachtsdelen (eerder) verborgen was te onthullen. En hij zei: “Jullie Heer heeft jullie deze boom slechts verboden omdat jullie anders Engelen worden, of dat jullie tot de onsterfelijken zullen behoren.”