De Dageraad
الفجر
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
wal-fajri
Bij de dageraad.
walayālin ʿashrin
Bij de tien nachten (de eerste tien dagen en nachten van de maand Dzoelhiddjah).
wal-shafʿi wal-watri
Bij het even en het oneven.
wa-al-layli idhā yasri
En bij de nacht wanneer hij voorbijgaat.
hal fī dhālika qasamun lidhī ḥij'rin
Is daarin geen eed (zwaar genoeg) voor de bezitter van verstand?
alam tara kayfa faʿala rabbuka biʿādin
Heb jij niet gezien hoe jouw Heer de ‘Ad heeft behandeld?
irama dhāti l-ʿimādi
Het volk van Iram dat verheven gebouwen bezat.
allatī lam yukh'laq mith'luhā fī l-bilādi
Zoals nog nooit in het land geschapen zijn?
wathamūda alladhīna jābū l-ṣakhra bil-wādi
En de Thamoed, die rotsen uithieuwen in het dal?
wafir'ʿawna dhī l-awtādi
En Farao, de bezitter van pinnen (en een machtig leger).
alladhīna ṭaghaw fī l-bilādi
Degenen die overtraden in het land.
fa-aktharū fīhā l-fasāda
En veel ellende daarin veroorzaakten.
faṣabba ʿalayhim rabbuka sawṭa ʿadhābin
Toen deed jouw Heer de gesel van de bestraffing op hen neerdalen.
inna rabbaka labil-mir'ṣādi
Waarlijk, jouw Heer is zeker waakzaam.
fa-ammā l-insānu idhā mā ib'talāhu rabbuhu fa-akramahu wanaʿʿamahu fayaqūlu rabbī akramani
Wat de mens betreft, wanneer zijn Heer hem beproeft door hem eer en weelde te geven, dan zegt hij (trots): “Mijn Heer heeft mij geëerd.”
wa-ammā idhā mā ib'talāhu faqadara ʿalayhi riz'qahu fayaqūlu rabbī ahānani
Maar wanneer Hij hem beproeft, en dan zijn voorzieningen beperkt dan zegt hij: “Mijn Heer heeft mij vernederd.”
kallā bal lā tuk'rimūna l-yatīma
Nee! Maar jullie ondersteunen immers de wees niet.
walā taḥāḍḍūna ʿalā ṭaʿāmi l-mis'kīni
En jullie sporen elkaar niet aan om de armen te voeden!
watakulūna l-turātha aklan lamman
En jullie verspillen de erfenis, hebzuchtig.
watuḥibbūna l-māla ḥubban jamman
En jullie beminnen het bezit met overdreven liefde.