Jozef
يوسف
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
alif-lam-ra til'ka āyātu l-kitābi l-mubīni
Alif, Lām, Rā. Dit zijn de Verzen van een duidelijk Boek.
innā anzalnāhu qur'ānan ʿarabiyyan laʿallakum taʿqilūna
Waarlijk, Wij hebben een Arabische Koran neergezonden. Hopelijk zullen jullie begrijpen.
naḥnu naquṣṣu ʿalayka aḥsana l-qaṣaṣi bimā awḥaynā ilayka hādhā l-qur'āna wa-in kunta min qablihi lamina l-ghāfilīna
Wij vertellen jou het beste verhaal doordat Wij aan jou deze Koran openbaarden, hoewel jij hiervoor tot de onwetenden behoorde.
idh qāla yūsufu li-abīhi yāabati innī ra-aytu aḥada ʿashara kawkaban wal-shamsa wal-qamara ra-aytuhum lī sājidīna
(Gedenk) toen Yoesoef tegen zijn vader zei: “O mijn vader! Waarlijk, ik zag (in een droom) elf sterren en de zon en de maan, ik zag dat zij zich voor mij bogen.”
qāla yābunayya lā taqṣuṣ ru'yāka ʿalā ikh'watika fayakīdū laka kaydan inna l-shayṭāna lil'insāni ʿaduwwun mubīnun
Hij zei: “O mijn zoon! Vertel je visioen niet aan je broers want anders zullen zij tegen jou samenzweren. Waarlijk! Sheitan is voor de mens een openlijke vijand!”
wakadhālika yajtabīka rabbuka wayuʿallimuka min tawīli l-aḥādīthi wayutimmu niʿ'matahu ʿalayka waʿalā āli yaʿqūba kamā atammahā ʿalā abawayka min qablu ib'rāhīma wa-is'ḥāqa inna rabbaka ʿalīmun ḥakīmun
Zo zal jouw Heer jou uitkiezen en jou de betekenis van de dromen onderrichten. En Hij vervolmaakt zijn gunsten aan jou en het nageslacht van Yacoeb, zoals Hij het voor jouw vaderen, Ibrahim en Isaac vroeger vervolmaakt heeft! Waarlijk, jouw Heer is Alwetend, Alwijs.
laqad kāna fī yūsufa wa-ikh'watihi āyātun lilssāilīna
Waarlijk, in (de geschiedenis van) Yoesoef en zijn broers waren Tekenen voor degenen die vragen.
idh qālū layūsufu wa-akhūhu aḥabbu ilā abīnā minnā wanaḥnu ʿuṣ'batun inna abānā lafī ḍalālin mubīnin
Toen zij zeiden: “Waarlijk, onze vader houdt meer van Yoesoef en zijn broeder dan van ons, maar wij zijn een sterke groep. Werkelijk onze vader verkeert in duidelijke dwaling.
uq'tulū yūsufa awi iṭ'raḥūhu arḍan yakhlu lakum wajhu abīkum watakūnū min baʿdihi qawman ṣāliḥīna
Doodt Yoesoef of verban hem naar een ander land, zodat de gunsten van jullie vader aan jullie alleen wordt gegeven en hierna zullen jullie een rechtgeleid volk zijn.”
qāla qāilun min'hum lā taqtulū yūsufa wa-alqūhu fī ghayābati l-jubi yaltaqiṭ'hu baʿḍu l-sayārati in kuntum fāʿilīna
Eén van hen zei: “Doodt Yoesoef niet, maar als jullie echt iets willen doen, gooi hem dan op de bodem van een put, hij zal er dan door een karavaan reizigers uit worden gehaald.”
qālū yāabānā mā laka lā tamannā ʿalā yūsufa wa-innā lahu lanāṣiḥūna
Zij zeiden: “O onze vader! Waarom vertrouw je Yoesoef niet aan ons toe? Voorwaar, wij hebben inderdaad het beste met hem voor.”
arsil'hu maʿanā ghadan yartaʿ wayalʿab wa-innā lahu laḥāfiẓūna
Stuur hem morgen met ons mee om zichzelf te vermaken en te spelen en waarlijk, wij zullen voor hem zorgen.”
qāla innī layaḥzununī an tadhhabū bihi wa-akhāfu an yakulahu l-dhi'bu wa-antum ʿanhu ghāfilūna
Hij (Ya’qoeb, vervuld van liefde voor zijn zoon) zei (in een bui van overdreven bezorgdheid): “Waarlijk, het bedroeft mij dat jullie hem meenemen. Ik ben bang dat een wolf hem zal verslinden, zodra jullie hem in een moment van onachtzaamheid (uit het oog verliezen).”
qālū la-in akalahu l-dhi'bu wanaḥnu ʿuṣ'batun innā idhan lakhāsirūna
Zij zeiden (in volle overtuiging tegen hun vader): “Als een wolf hem kan verslinden terwijl wij een sterke en moedige groep vormen, dan (zijn we een groep van niks en) behoren we zeker tot de verliezers.”
falammā dhahabū bihi wa-ajmaʿū an yajʿalūhu fī ghayābati l-jubi wa-awḥaynā ilayhi latunabbi-annahum bi-amrihim hādhā wahum lā yashʿurūna
Toen zij met hem weggingen en overeenkwamen om hem op de bodem van de put te werpen, openbaarden Wij aan hem: “Voorwaar, je zal hen over deze zaak vertellen, terwijl zij het niet beseffen.”
wajāū abāhum ʿishāan yabkūna
En zij kwamen huilend in de vroege uren van de nacht bij hun vader.
qālū yāabānā innā dhahabnā nastabiqu wataraknā yūsufa ʿinda matāʿinā fa-akalahu l-dhi'bu wamā anta bimu'minin lanā walaw kunnā ṣādiqīna
Zij zeiden: “O mijn vader! Wij hielden een wedloop met elkaar en lieten Yoesoef bij onze bezittingen achter en een wolf heeft hem verslonden; maar je zult ons niet geloven zelfs al spreken wij de waarheid.”
wajāū ʿalā qamīṣihi bidamin kadhibin qāla bal sawwalat lakum anfusukum amran faṣabrun jamīlun wal-lahu l-mus'taʿānu ʿalā mā taṣifūna
En zij brachten zijn hemd met vals bloed (daarop). Hij zei: “Nee, jullie verzinnen maar een verhaal. (Spoor dus aan) tot geduld (want dat) is passender. En het is slechts Allah Wiens hulp gezocht kan worden tegen wat jullie beweren.”
wajāat sayyāratun fa-arsalū wāridahum fa-adlā dalwahu qāla yābush'rā hādhā ghulāmun wa-asarrūhu biḍāʿatan wal-lahu ʿalīmun bimā yaʿmalūna
En er kwam een karavaan reizigers; zij stuurden hun waterhaler en hij liet zijn emmer neer. Hij zei: “Wat een goed nieuws! Hier is een jongen.” En zij verborgen hem als koopwaar. En Allah was Alwetend van wat zij deden.
washarawhu bithamanin bakhsin darāhima maʿdūdatin wakānū fīhi mina l-zāhidīna
En zij verkochten hem voor een lage prijs, een paar dirham. En zij waren voor hem onverschilligen.