De Koe
البقرة
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
alif-lam-meem
Alif, Lām, Mīm.
dhālika l-kitābu lā rayba fīhi hudan lil'muttaqīna
Dit is het Boek, waarover geen twijfel bestaat, een leidraad voor degenen die godvrezend zijn.
alladhīna yu'minūna bil-ghaybi wayuqīmūna l-ṣalata wamimmā razaqnāhum yunfiqūna
Degenen die in het onwaarneembare geloven en de gebeden volmaakt verrichten en die weldoen met hetgeen Wij hen hebben geschonken. (die dit aan en henzelf, hun ouders, hun kinderen, hun echtgenoten etc. besteden en die aalmoezen aan de armen geven en geld besteden op Allah’s weg)
wa-alladhīna yu'minūna bimā unzila ilayka wamā unzila min qablika wabil-ākhirati hum yūqinūna
En die geloven in datgene dat aan jou (O Mohammed) is neergezonden. En wat vóór jou is neergezonden. En zij geloven met zekerheid in het Hiernamaals.
ulāika ʿalā hudan min rabbihim wa-ulāika humu l-muf'liḥūna
Zij hebben de leiding van hun Heer en zullen daarom succes hebben.
inna alladhīna kafarū sawāon ʿalayhim a-andhartahum am lam tundhir'hum lā yu'minūna
Waarlijk, voor degenen die ongelovig zijn maakt het geen verschil of jij ze al dan niet waarschuwt: ze zullen toch niet geloven.
khatama l-lahu ʿalā qulūbihim waʿalā samʿihim waʿalā abṣārihim ghishāwatun walahum ʿadhābun ʿaẓīmun
Allah heeft hun harten en hun gehoor verzegeld en over hun ogen is er een bedekking. Hun zal een grote bestraffing ten deel vallen.
wamina l-nāsi man yaqūlu āmannā bil-lahi wabil-yawmi l-ākhiri wamā hum bimu'minīna
En er zijn er onder de mensen die zeggen: “Wij geloven in Allah en de laatste dag” terwijl zij geen gelovigen zijn.
yukhādiʿūna l-laha wa-alladhīna āmanū wamā yakhdaʿūna illā anfusahum wamā yashʿurūna
Zij trachten Allah en degenen die geloven te bedriegen, terwijl zij slechts zichzelf bedriegen en zij beseffen (het) niet.
fī qulūbihim maraḍun fazādahumu l-lahu maraḍan walahum ʿadhābun alīmun bimā kānū yakdhibūna
In hun harten is een ziekte en Allah heeft de ziekte doen toenemen. Er is voor hen een pijnlijke bestraffing, want zij hadden de gewoonte om leugens te vertellen.
wa-idhā qīla lahum lā tuf'sidū fī l-arḍi qālū innamā naḥnu muṣ'liḥūna
En wanneer tegen hen gezegd werd: “Zaai geen verderf op aarde,” dan zeggen zij: “Wij zijn slechts vredestichters.”
alā innahum humu l-muf'sidūna walākin lā yashʿurūna
Waarlijk! Zij zijn degenen die verderf zaaien maar zij beseffen het niet.
wa-idhā qīla lahum āminū kamā āmana l-nāsu qālū anu'minu kamā āmana l-sufahāu alā innahum humu l-sufahāu walākin lā yaʿlamūna
En als er tot hen wordt gezegd: “Gelooft zoals andere mensen geloven” zeggen zij: “Moeten wij geloven zoals de dwazen hebben geloofd?” Waarlijk, zij zijn de dwazen, maar zij weten het niet.
wa-idhā laqū alladhīna āmanū qālū āmannā wa-idhā khalaw ilā shayāṭīnihim qālū innā maʿakum innamā naḥnu mus'tahziūna
En als ze gelovigen tegenkomen, zeggen zij: “Wij geloven,” maar als zij alleen zijn met hun duivels zeggen zij: “Waarlijk wij behoren bij jullie, waarlijk, wij spotten slechts.”
al-lahu yastahzi-u bihim wayamudduhum fī ṭugh'yānihim yaʿmahūna
Allah spot met hen en zal hen blindelings in hun overtreding verder laten afdwalen.
ulāika alladhīna ish'tarawū l-ḍalālata bil-hudā famā rabiḥat tijāratuhum wamā kānū muh'tadīna
Zij zijn degenen die de Leiding voor de dwaling hebben verruild: hun handel is dus zonder winst. En zij zijn niet geleid.
mathaluhum kamathali alladhī is'tawqada nāran falammā aḍāat mā ḥawlahu dhahaba l-lahu binūrihim watarakahum fī ẓulumātin lā yub'ṣirūna
Zij lijken op degenen die een vuur aansteken; als het dan rond om hen heen licht is, neemt Allah hun licht weg en laat hen in het donker achter. Zij kunnen (dus) niet zien.
ṣummun buk'mun ʿum'yun fahum lā yarjiʿūna
Zij zijn doof, stom en blind en keren dus niet terug.
aw kaṣayyibin mina l-samāi fīhi ẓulumātun waraʿdun wabarqun yajʿalūna aṣābiʿahum fī ādhānihim mina l-ṣawāʿiqi ḥadhara l-mawti wal-lahu muḥīṭun bil-kāfirīna
Of als de regenbui uit de hemel waarin duisternis, donder en bliksem is. Zij stoppen hun vingers in hun oren om de donderslag niet te horen, omdat zij bang zijn voor de dood. Maar Allah omsluit altijd de ongelovigen.
yakādu l-barqu yakhṭafu abṣārahum kullamā aḍāa lahum mashaw fīhi wa-idhā aẓlama ʿalayhim qāmū walaw shāa l-lahu ladhahaba bisamʿihim wa-abṣārihim inna l-laha ʿalā kulli shayin qadīrun
De bliksem verblindt hen haast, als het voor hen flitst dan lopen zij erin en als het donker is, staan ze stil. En als Allah het gewild had, had Hij hun gehoor en gezicht weg kunnen nemen. Allah heeft beslist macht over alle zaken.