Ta Ha
طه
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
tta-ha
Thā, Hā.
mā anzalnā ʿalayka l-qur'āna litashqā
(O Mohammed), Wij hebben de Koran in geen geval naar jou neergezonden om jou problemen te bezorgen.
illā tadhkiratan liman yakhshā
Maar slechts als een Overdenking voor degenen die (Allah) vrezen.
tanzīlan mimman khalaqa l-arḍa wal-samāwāti l-ʿulā
Een openbaring van Hem Die de aarde en de hoge hemelen heeft geschapen.
al-raḥmānu ʿalā l-ʿarshi is'tawā
De Weldadige, Die op de Troon zetelt.
lahu mā fī l-samāwāti wamā fī l-arḍi wamā baynahumā wamā taḥta l-tharā
Aan Hem behoort alles wat in de hemelen en op aarde is en alles daartussen, en alles wat onder de grond is.
wa-in tajhar bil-qawli fa-innahu yaʿlamu l-sira wa-akhfā
O jij met luide stem spreekt of niet: Hij kent het geheim en het meest verborgene.
al-lahu lā ilāha illā huwa lahu l-asmāu l-ḥus'nā
Allah! Geen heeft het recht om aanbeden te worden behalve Hij! Hem behoren de Schone Namen toe.
wahal atāka ḥadīthu mūsā
En is het verhaal van Mozes tot jou gekomen?
idh raā nāran faqāla li-ahlihi um'kuthū innī ānastu nāran laʿallī ātīkum min'hā biqabasin aw ajidu ʿalā l-nāri hudan
Toen hij een vuur zag zei hij tegen zijn familie: “Wacht! Waarlijk, ik heb een vuur gezien, misschien kan ik jullie daar wat brandende takken van brengen of zal ik bij het vuur Leiding vinden.”
falammā atāhā nūdiya yāmūsā
En toen hij daar aankwam, werd hij bij zijn naam geroepen: “O Mozes!”
innī anā rabbuka fa-ikh'laʿ naʿlayka innaka bil-wādi l-muqadasi ṭuwan
Waarlijk! Ik ben jouw Heer! Doe je schoenen uit, je bent in het heilige dal ‘Toewa’.
wa-anā ikh'tartuka fa-is'tamiʿ limā yūḥā
En Ik heb jou uitverkoren. Luister dus naar wat geopenbaard wordt.
innanī anā l-lahu lā ilāha illā anā fa-uʿ'bud'nī wa-aqimi l-ṣalata lidhik'rī
Waarlijk! Ik ben Allah, er is geen god dan Ik, aanbid Mij dus en verricht de gebeden om Mij te gedenken.
inna l-sāʿata ātiyatun akādu ukh'fīhā lituj'zā kullu nafsin bimā tasʿā
Waarlijk, het Uur zal komen. Ik zal het onthullen zodat iedere ziel beloond zal worden voor wat zij nastreeft.
falā yaṣuddannaka ʿanhā man lā yu'minu bihā wa-ittabaʿa hawāhu fatardā
Laat je er daarom niet van afhouden door degene die daarin niet gelooft en zijn eigen lusten volgt, zodat je niet ten onder gaat.
wamā til'ka biyamīnika yāmūsā
En wat is dat in jouw rechterhand, O Mozes?”
qāla hiya ʿaṣāya atawakka-u ʿalayhā wa-ahushu bihā ʿalā ghanamī waliya fīhā maāribu ukh'rā
Hij zei: “Dit is mijn stok waarop ik leun en waarmee ik bladeren afsla voor mijn schapen en waar ik nog meer dingen mee doe.”
qāla alqihā yāmūsā
Hij zei: “Gooi het neer, O Mozes!”
fa-alqāhā fa-idhā hiya ḥayyatun tasʿā
Hij gooide het neer en zie! Het was een slang die zich snel voortbewoog.