De Dichters
الشعراء
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
tta-seen-meem
Tha, Sīn, Mїm.
til'ka āyātu l-kitābi l-mubīni
Dit zijn de Verzen van het duidelijke Boek.
laʿallaka bākhiʿun nafsaka allā yakūnū mu'minīna
Misschien zou jij jezelf vernietigen van verdriet omdat zij geen gelovigen zijn.
in nasha nunazzil ʿalayhim mina l-samāi āyatan faẓallat aʿnāquhum lahā khāḍiʿīna
Als Wij het gewenst hadden, dan hadden Wij uit de hemel een Teken kunnen sturen, zodat hun nekken ervoor gebogen bleven.
wamā yatīhim min dhik'rin mina l-raḥmāni muḥ'dathin illā kānū ʿanhu muʿ'riḍīna
En er komt van de Erbarmer geen nieuwe Overdenking tot hen, of zij keren zich daarvan af.
faqad kadhabū fasayatīhim anbāu mā kānū bihi yastahziūna
Voorzeker, zij hebben dit verloochend, maar weldra zullen de tijdingen hun bereiken van hetgeen zij bespotten.
awalam yaraw ilā l-arḍi kam anbatnā fīhā min kulli zawjin karīmin
Bekijken zij de aarde niet, hoeveel goede soorten gewassen Wij daarop hebben laten groeien?
inna fī dhālika laāyatan wamā kāna aktharuhum mu'minīna
Waarlijk, hierin is een Teken maar de meesten van hen zijn geen gelovigen.
wa-inna rabbaka lahuwa l-ʿazīzu l-raḥīmu
En waarlijk, jullie Heer! Hij is zeker de Almachtige, de Genadevolle.
wa-idh nādā rabbuka mūsā ani i'ti l-qawma l-ẓālimīna
En (gedenk) toen jullie Heer Mozes opriep (zeggende): “Ga naar het volk dat onrechtvaardig is.
qawma fir'ʿawna alā yattaqūna
Het volk van Farao. Vrezen zij (Allah) niet?”
qāla rabbi innī akhāfu an yukadhibūni
Hij (Mozes) zei: “Mijn Heer! Waarlijk, ik vrees dat zij mij loochenen.
wayaḍīqu ṣadrī walā yanṭaliqu lisānī fa-arsil ilā hārūna
En mijn borst is beklemd en mijn tong drukt zich niet goed uit. Laat Haaron dus komen.
walahum ʿalayya dhanbun fa-akhāfu an yaqtulūni
En zij beschuldigen mij van een misdaad, en ik ben bang dat zij mij zullen doden.”
qāla kallā fa-idh'habā biāyātinā innā maʿakum mus'tamiʿūna
Allah zei: “Nee! Gaan jullie beiden met Onze Tekenen. Waarlijk! Wij zullen bij jullie zijn, luisterend.
fatiyā fir'ʿawna faqūlā innā rasūlu rabbi l-ʿālamīna
En wanneer jullie beiden tot de Farao komen zeg: “Wij zijn de Boodschappers van de Heer der Werelden.
an arsil maʿanā banī is'rāīla
Laat dus de Kinderen van Israël met ons mee gaan.”
qāla alam nurabbika fīnā walīdan walabith'ta fīnā min ʿumurika sinīna
(Farao) zei: “Hebben wij jou niet als kind van ons opgevoed? En jij hebt vele jaren van je leven bij ons gewoond.
wafaʿalta faʿlataka allatī faʿalta wa-anta mina l-kāfirīna
En jij weet wat je deed. En jij bent één van de ondankbaren.”
qāla faʿaltuhā idhan wa-anā mina l-ḍālīna
Mozes zei: “Ik heb het gedaan toen ik onwetend was.