De Mieren
النمل
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
tta-seen til'ka āyātu l-qur'āni wakitābin mubīnin
Tha, Sīn. Dit zijn Verzen van de Koran, het duidelijke Boek.
hudan wabush'rā lil'mu'minīna
Als Leiding en goed nieuws voor de gelovigen.
alladhīna yuqīmūna l-ṣalata wayu'tūna l-zakata wahum bil-ākhirati hum yūqinūna
Degenen die perfect hun gebeden verrichten en Zakat geven en die met zekerheid in het Hiernamaals geloven.
inna alladhīna lā yu'minūna bil-ākhirati zayyannā lahum aʿmālahum fahum yaʿmahūna
Waarlijk, degenen die niet in het Hiernamaals geloven, doen Wij hun daden schoon toeschijnen, daarop verkeren zij rusteloos in een dwaling.
ulāika alladhīna lahum sūu l-ʿadhābi wahum fī l-ākhirati humu l-akhsarūna
Dat zijn degenen voor wie er een kwade bestraffing zal zijn. En in het Hiernamaals zullen zij de grootste verliezers zijn.
wa-innaka latulaqqā l-qur'āna min ladun ḥakīmin ʿalīmin
En waarlijk, jij ontvangt de Koran van de Ene, Alwijze, Alwetende.
idh qāla mūsā li-ahlihi innī ānastu nāran saātīkum min'hā bikhabarin aw ātīkum bishihābin qabasin laʿallakum taṣṭalūna
(Gedenk) toen Mozes tegen zijn familie zei: “Waarlijk! Ik zie in de verte een vuur. Ik zal jullie er snel over berichten of ik zal jullie een brandende tak brengen, dat jullie jezelf kunnen verwarmen.”
falammā jāahā nūdiya an būrika man fī l-nāri waman ḥawlahā wasub'ḥāna l-lahi rabbi l-ʿālamīna
Maar toen hij tot het kwam, werd hij geroepen: “Gezegend is hij (Mozes) die op de plaats van het vuur is, en wie daarbij staat! En verheerlijkt is Allah, de Heer der Werelden.
yāmūsā innahu anā l-lahu l-ʿazīzu l-ḥakīmu
O Mozes! Waarlijk! Ik ben het, Allah, de Almachtige, de Alwijze.
wa-alqi ʿaṣāka falammā raāhā tahtazzu ka-annahā jānnun wallā mud'biran walam yuʿaqqib yāmūsā lā takhaf innī lā yakhāfu ladayya l-mur'salūna
Gooi je stok neer!” Maar toen hij het als een slang zag bewegen, keerde hij haastig en keek niet om. (Allah zei:) “O Mozes! Vrees niet, waarlijk! De Boodschappers vrezen Mijn aanwezigheid niet.”
illā man ẓalama thumma baddala ḥus'nan baʿda sūin fa-innī ghafūrun raḥīmun
En hij die gezondigd heeft en daarna het kwade in het goede heeft veranderd, dan waarlijk, Ik ben Vergevingsgezind, Genadevol.
wa-adkhil yadaka fī jaybika takhruj bayḍāa min ghayri sūin fī tis'ʿi āyātin ilā fir'ʿawna waqawmihi innahum kānū qawman fāsiqīna
En stop je hand in je boezem, het komt er wit uit zonder dat het gekwetst is. (Dit behoort) tot de negen wonderen (die je) naar de Farao en zijn volk (zult meenemen), zij zijn mensen die verdorven zijn.”
falammā jāathum āyātunā mub'ṣiratan qālū hādhā siḥ'run mubīnun
Maar als Onze Tekenen ter verduidelijking tot hen komen, zeggen zij: “Dit is duidelijke toverkunst.”
wajaḥadū bihā wa-is'tayqanathā anfusuhum ẓul'man waʿuluwwan fa-unẓur kayfa kāna ʿāqibatu l-muf'sidīna
En zij verloochenden hen valselijk en hooghartig, hoewel zij zelf ervan overtuigd waren. Zie dus wat het einde van de verderfzaaiers was!
walaqad ātaynā dāwūda wasulaymāna ʿil'man waqālā l-ḥamdu lillahi alladhī faḍḍalanā ʿalā kathīrin min ʿibādihi l-mu'minīna
En voorzeker, Wij gaven Dawoed en Soeleiman kennis en beiden zeiden: “Alle lofprijzing en dank behoort aan Allah, Die aan ons de voorkeur boven velen van Zijn gelovige dienaren heeft gegeven!”
wawaritha sulaymānu dāwūda waqāla yāayyuhā l-nāsu ʿullim'nā manṭiqa l-ṭayri waūtīnā min kulli shayin inna hādhā lahuwa l-faḍlu l-mubīnu
En Soeleiman beërfde (de kennis van) Dawoed. Hij zei: “O mensheid! Ons is de taal van de vogels geleerd, en wij hebben allerlei zaken gekregen. Dit is echt een duidelijke gunst.”
waḥushira lisulaymāna junūduhu mina l-jini wal-insi wal-ṭayri fahum yūzaʿūna
En voor Soeleiman werden zijn troepen van Djinn en mensen en vogels verzameld en zij werden allen in rijen opgesteld.
ḥattā idhā ataw ʿalā wādi l-namli qālat namlatun yāayyuhā l-namlu ud'khulū masākinakum lā yaḥṭimannakum sulaymānu wajunūduhu wahum lā yashʿurūna
Totdat zij bij het dal van de mieren kwamen, en één van de mieren zei: “O mieren! Ga jullie huizen binnen opdat Soeleymaan en zijn leger jullie niet verpletteren (onder de voet lopen) terwijl zij het niet beseffen.”
fatabassama ḍāḥikan min qawlihā waqāla rabbi awziʿ'nī an ashkura niʿ'mataka allatī anʿamta ʿalayya waʿalā wālidayya wa-an aʿmala ṣāliḥan tarḍāhu wa-adkhil'nī biraḥmatika fī ʿibādika l-ṣāliḥīna
Dus hij (Soeleiman) glimlachte om haar woorden en zei: “Mijn Heer! Maak mij dankbaar voor Uw gunst, die U mij en mijn ouders schonk en doe mij goede daden verrichten die Uw genoegen hebben. En voeg mij door Uw genade toe aan Uw rechtgeleide dienaren.”
watafaqqada l-ṭayra faqāla mā liya lā arā l-hud'huda am kāna mina l-ghāibīna
Hij inspecteerde (de afdeling van) de vogels en zei: “Hoe komt het dat ik de (fladderende) hop niet zie? Of behoort hij tot de afwezigen?