De Vertellingen
القصص
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
tta-seen-meem
Tha, Sīn, Mīm.
til'ka āyātu l-kitābi l-mubīni
Dit zijn de Verzen van het duidelijke Boek.
natlū ʿalayka min naba-i mūsā wafir'ʿawna bil-ḥaqi liqawmin yu'minūna
Wij reciteren voor jullie in waarheid de geschiedenissen van Mozes en Farao, voor een volk dat gelooft.
inna fir'ʿawna ʿalā fī l-arḍi wajaʿala ahlahā shiyaʿan yastaḍʿifu ṭāifatan min'hum yudhabbiḥu abnāahum wayastaḥyī nisāahum innahu kāna mina l-muf'sidīna
Waarlijk, Farao verhief zichzelf in het land en maakte zijn mensen tot sekten. Hij onderdrukte een groep onder hen: hun zonen dodend, en hij liet hun vrouwen leven. Waarlijk, hij behoorde tot de verderfzaaiers.
wanurīdu an namunna ʿalā alladhīna us'tuḍ'ʿifū fī l-arḍi wanajʿalahum a-immatan wanajʿalahumu l-wārithīna
En Wij wensten een gunst te geven aan degenen die onderdrukt waren in het land. En Wij maakten hen tot heersers en Wij maakten hen tot erfgenamen.
wanumakkina lahum fī l-arḍi wanuriya fir'ʿawna wahāmāna wajunūdahumā min'hum mā kānū yaḥdharūna
En Wij vestigden hen op aarde en Wij toonden Farao en Hanan en hun troepen onder hen dat waar zij bevreesd voor waren.
wa-awḥaynā ilā ummi mūsā an arḍiʿīhi fa-idhā khif'ti ʿalayhi fa-alqīhi fī l-yami walā takhāfī walā taḥzanī innā rāddūhu ilayki wajāʿilūhu mina l-mur'salīna
En Wij inspireerden aan de moeder van Mozes: “Zoog hem (Mozes), maar als je voor hem vreest, geef hem dan aan de rivier en vrees niet, noch wees bedroefd. Waarlijk! Wij zullen hem naar jou terugbrengen en zullen hem tot één van (Onze) Boodschappers maken.”
fal-taqaṭahu ālu fir'ʿawna liyakūna lahum ʿaduwwan waḥazanan inna fir'ʿawna wahāmāna wajunūdahumā kānū khāṭiīna
Toen pikten de mensen van Farao hem op (uit de rivier), zodat hij voor hen een vijand zou worden en hen verdriet zou bezorgen. Waarlijk! Farao, Hanan en hun legers waren zondaren.
waqālati im'ra-atu fir'ʿawna qurratu ʿaynin lī walaka lā taqtulūhu ʿasā an yanfaʿanā aw nattakhidhahu waladan wahum lā yashʿurūna
En de vrouw van Farao zei: “Hij is een genot voor het oog van mij en jou. Doodt hem niet, misschien zal hij ons nog tot nut zijn, of kunnen wij hem als een zoon adopteren.” En zij voorzagen niet.
wa-aṣbaḥa fuādu ummi mūsā fārighan in kādat latub'dī bihi lawlā an rabaṭnā ʿalā qalbihā litakūna mina l-mu'minīna
En het hart van de moeder van Mozes werd leeg. Zij was de onthulling daarvan nabij, hadden Wij haar hart niet versterkt zodat zij één van de gelovigen behoorde.
waqālat li-ukh'tihi quṣṣīhi fabaṣurat bihi ʿan junubin wahum lā yashʿurūna
En zij zei tegen zijn (Mozes’) zuster: “Volg hem.” Dus keek zij van een verre plaats in het geheim toe, terwijl zij dat niet beseften.
waḥarramnā ʿalayhi l-marāḍiʿa min qablu faqālat hal adullukum ʿalā ahli baytin yakfulūnahu lakum wahum lahu nāṣiḥūna
En Wij hebben hem daarvόόr zoogmoeders verboden. Tot zij (zijn zuster) zei (tegen de familie van Farao): “Zal ik u een huishouden wijzen dat hem voor u zal opvoeden en trouw voor hem zal zorgen op de goede manier?”
faradadnāhu ilā ummihi kay taqarra ʿaynuhā walā taḥzana walitaʿlama anna waʿda l-lahi ḥaqqun walākinna aktharahum lā yaʿlamūna
Zo brachten Wij hem weer bij zijn moeder, opdat haar oog verkoeld werd, en dat zij niet zou treuren, en opdat zij wist dat de belofte van Allah waar is. Maar de meesten van hen weten niet.
walammā balagha ashuddahu wa-is'tawā ātaynāhu ḥuk'man waʿil'man wakadhālika najzī l-muḥ'sinīna
En toen hij zijn volle kracht had bereikt en volgroeid was, gaven Wij hem wijsheid en religieuze kennis. En zo belonen Wij de weldoeners.
wadakhala l-madīnata ʿalā ḥīni ghaflatin min ahlihā fawajada fīhā rajulayni yaqtatilāni hādhā min shīʿatihi wahādhā min ʿaduwwihi fa-is'taghāthahu alladhī min shīʿatihi ʿalā alladhī min ʿaduwwihi fawakazahu mūsā faqaḍā ʿalayhi qāla hādhā min ʿamali l-shayṭāni innahu ʿaduwwun muḍillun mubīnun
En hij trad de stad binnen op een tijd dat haar volk nog niet bewust was en hij kwam twee mannen tegen die vochten: de één van zijn groep ( de Kinderen van Israël) en de andere van zijn vijand (de mensen van Farao). De man van zijn groep vroeg hem om hulp tegen de vijand, dus sloeg Mozes hem met zijn vuist en doodde hem (per ongeluk). Hij zei: “Dit is een daad van Sheitan, waarlijk hij is een duidelijke misleidende vijand.”
qāla rabbi innī ẓalamtu nafsī fa-igh'fir lī faghafara lahu innahu huwa l-ghafūru l-raḥīmu
Hij zei: “Mijn Heer! Waarlijk, ik heb mijzelf onrecht aangedaan, vergeef mij dus. Toen vergaf Hij het hem. Waarlijk, Hij is de Vergevingsgezinde de Genadevolle.
qāla rabbi bimā anʿamta ʿalayya falan akūna ẓahīran lil'muj'rimīna
Hij zei: “Mijn Heer! Voor datgene waarvoor U mij gunsten heeft verleend, zal ik nooit meer een helper van de misdadigers zijn.”
fa-aṣbaḥa fī l-madīnati khāifan yataraqqabu fa-idhā alladhī is'tanṣarahu bil-amsi yastaṣrikhuhu qāla lahu mūsā innaka laghawiyyun mubīnun
Toen werd hij bang in de stad" en was op zijn hoede, toen zie, de man die de vorige dag zijn hulp had gevraagd hem (opnieuw) om hulp vroeg. Mozes zei tegen hem: “Waarlijk, jij bent een duidelijk dwalende!”
falammā an arāda an yabṭisha bi-alladhī huwa ʿaduwwun lahumā qāla yāmūsā aturīdu an taqtulanī kamā qatalta nafsan bil-amsi in turīdu illā an takūna jabbāran fī l-arḍi wamā turīdu an takūna mina l-muṣ'liḥīna
Maar toen hij besloot om de man, die een vijand voor hen beiden was te grijpen, zei de man: “O Mozes! Is het jouw bedoeling om mij te doden zoals je gisteren een man gedood hebt? Je doel is niets anders dan een tiran in het land te worden en je wilt geen vredestichter zijn.”
wajāa rajulun min aqṣā l-madīnati yasʿā qāla yāmūsā inna l-mala-a yatamirūna bika liyaqtulūka fa-ukh'ruj innī laka mina l-nāṣiḥīna
En er kwam een man aanrennen uit de verste hoek van de stad. Hij zei: “O Mozes! Waarlijk, de leiders beraadslagen om je te doden, ontsnap dus. Waarlijk, ik ben één van degenen die jou oprecht advies geven.”