Ya Sien
يس
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
ya-seen
Yā Sīn.
wal-qur'āni l-ḥakīmi
Bij de Koran, vol wijsheid.
innaka lamina l-mur'salīna
Waarlijk, jij (O Mohammed) bent één van de Boodschappers.
ʿalā ṣirāṭin mus'taqīmin
Op een rechte Weg.
tanzīla l-ʿazīzi l-raḥīmi
(Dit is) een openbaring die door de Almachtige, de Genadevolle is gestuurd.
litundhira qawman mā undhira ābāuhum fahum ghāfilūna
Zodat jij een volk wiens voorvaders niet gewaarschuwd zijn en dus achteloos zijn, moge waarschuwen.
laqad ḥaqqa l-qawlu ʿalā aktharihim fahum lā yu'minūna
Voorwaar, het woord is tegen de meesten van hen bewaarheid, omdat zij niet geloven.
innā jaʿalnā fī aʿnāqihim aghlālan fahiya ilā l-adhqāni fahum muq'maḥūna
Waarlijk! Wij hebben om hun nekken ijzeren kettingen gelegd die tot hun kinnen reiken, zodat hun hoofden opgeheven blijven.
wajaʿalnā min bayni aydīhim saddan wamin khalfihim saddan fa-aghshaynāhum fahum lā yub'ṣirūna
En Wij hebben een hindernis vόόr hen geplaatst, en een hindernis achter hen en Wij hebben hun ogen bedekt zodat zij niet kunnen zien.
wasawāon ʿalayhim a-andhartahum am lam tundhir'hum lā yu'minūna
Het maakt hen niet uit of je hen waarschuwt of niet, zij zullen niet geloven.
innamā tundhiru mani ittabaʿa l-dhik'ra wakhashiya l-raḥmāna bil-ghaybi fabashir'hu bimaghfiratin wa-ajrin karīmin
Jij kunt slechts degene waarschuwen wie de Vermaning volgt en de Barmhartigste ongezien vreest. Geef hem het goede nieuws van de vergiffenis en de gulle beloning.
innā naḥnu nuḥ'yī l-mawtā wanaktubu mā qaddamū waāthārahum wakulla shayin aḥṣaynāhu fī imāmin mubīnin
Waarlijk, Wij geven leven aan de doden en Wij noteren wat zij gedaan hebben en (ook) hun sporen. En alle zaken hebben Wij opgesomd in een duidelijk Boek.
wa-iḍ'rib lahum mathalan aṣḥāba l-qaryati idh jāahā l-mur'salūna
En geef hen een vergelijking: het (verhaal van de) bewoners van de stad. Toen er Boodschappers tot hen kwamen.
idh arsalnā ilayhimu ith'nayni fakadhabūhumā faʿazzaznā bithālithin faqālū innā ilaykum mur'salūna
Toen Wij er twee tot hen zonden verloochenden zij hen beiden, dus versterkten Wij hen met een derde, en zij zeiden: “Waarlijk! Wij zijn als Boodschappers naar jullie gestuurd.”
qālū mā antum illā basharun mith'lunā wamā anzala l-raḥmānu min shayin in antum illā takdhibūna
Zij zeiden: “Jullie zijn slechts mensen zoals wij, en de Barmhartigste heeft niets geopenbaard, jullie vertellen slechts leugens.”
qālū rabbunā yaʿlamu innā ilaykum lamur'salūna
De Boodschappers zeiden: “Onze Heer weet dat wij als Boodschappers tot jullie zijn gestuurd.
wamā ʿalaynā illā l-balāghu l-mubīnu
En het is slechts onze plicht om duidelijk te verkondigen.”
qālū innā taṭayyarnā bikum la-in lam tantahū lanarjumannakum walayamassannakum minnā ʿadhābun alīmun
De (mensen) zeiden: “Wat ons betreft, wij zien een kwaad voorteken in jullie, als jullie niet stoppen, zullen wij jullie zeker stenigen en dan zal jullie een pijnlijke bestraffing van ons treffen.”
qālū ṭāirukum maʿakum a-in dhukkir'tum bal antum qawmun mus'rifūna
Zij zeiden: “Jullie kwade voortekenen zijn bij jullie! (Is het) omdat jullie vermaand worden? Nee, jullie zijn een volk dat buitensporig is.”
wajāa min aqṣā l-madīnati rajulun yasʿā qāla yāqawmi ittabiʿū l-mur'salīna
En er kwam van het verste gedeelte van de stad een man aanrennen, die zei: “O mijn volk! Gehoorzaam de Boodschappers.