Qaaf
ق
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
qaf wal-qur'āni l-majīdi
Qāf. Bij de edelmoedige Koran.
bal ʿajibū an jāahum mundhirun min'hum faqāla l-kāfirūna hādhā shayon ʿajībun
Zij zijn zelfs verbaasd dat er uit hun midden een waarschuwer tot hen is gekomen, zodat de ongelovigen zeggen: “Dit is iets vreemds!
a-idhā mit'nā wakunnā turāban dhālika rajʿun baʿīdun
Als wij gestorven zijn en tot stof zijn geworden? (worden wij dan weer opgewekt?) Dat is een verre weg terug.”
qad ʿalim'nā mā tanquṣu l-arḍu min'hum waʿindanā kitābun ḥafīẓun
Wij weten wat de aarde van hen zal wegnemen en aan Onze zijde is een Boek dat nauwkeurig bijgehouden wordt.
bal kadhabū bil-ḥaqi lammā jāahum fahum fī amrin marījin
Zij hebben de Waarheid ontkend toen die tot hen kwam, dus zijn zij in een verwarde staat.
afalam yanẓurū ilā l-samāi fawqahum kayfa banaynāhā wazayyannāhā wamā lahā min furūjin
Hebben zij niet naar de hemel boven hen gekeken, hoe Wij die gemaakt hebben en hoe Wij die versierd hebben, en dat daar geen kloven in zijn?
wal-arḍa madadnāhā wa-alqaynā fīhā rawāsiya wa-anbatnā fīhā min kulli zawjin bahījin
En de aarde! Wij hebben haar uitgespreid, en Wij hebben daarop stevige bergen geplaatst en Wij hebben daarop vele mooie gewassen doen groeien.
tabṣiratan wadhik'rā likulli ʿabdin munībin
Als lering en een overdenking voor elke dienaar die zich tot Allah keert.
wanazzalnā mina l-samāi māan mubārakan fa-anbatnā bihi jannātin waḥabba l-ḥaṣīdi
En Wij hebben gezegend water uit de hemel naar beneden gestuurd, waarna Wij daarmee tuinen deden groeien en graan van oogstbare gewassen.
wal-nakhla bāsiqātin lahā ṭalʿun naḍīdun
En hoge dadelpalmen, met gerangschikte kolven.
riz'qan lil'ʿibādi wa-aḥyaynā bihi baldatan maytan kadhālika l-khurūju
Een voorziening voor de dienaren. En Wij brengen daarmee (water) het dode land tot leven. Zo zal de herrijzenis zijn.
kadhabat qablahum qawmu nūḥin wa-aṣḥābu l-rasi wathamūdu
Vóór hen loochende het volk van Noah, en de bewoners van Rass en de Thamoed.
waʿādun wafir'ʿawnu wa-ikh'wānu lūṭin
En ‘Ad en Farao en de broeders van Loeth.
wa-aṣḥābu l-aykati waqawmu tubbaʿin kullun kadhaba l-rusula faḥaqqa waʿīdi
En de Bewoners van het woud en de mensen van Toebba, ieder van hen ontkenden (hun) Boodschappers. Daarom was de bestraffing terecht.
afaʿayīnā bil-khalqi l-awali bal hum fī labsin min khalqin jadīdin
Waren Wij dan niet in staat tot de eerste schepping? Zij verkeren in twijfel over een nieuwe schepping.
walaqad khalaqnā l-insāna wanaʿlamu mā tuwaswisu bihi nafsuhu wanaḥnu aqrabu ilayhi min ḥabli l-warīdi
En zeker, Wij hebben de mens geschapen en Wij weten wat zijn ziel hem influistert. Wij zijn hem nader dan zijn eigen halsslagader.
idh yatalaqqā l-mutalaqiyāni ʿani l-yamīni waʿani l-shimāli qaʿīdun
(Bedenk!) Wanneer de twee ontvangers (Engelen) de één zittend aan de rechterkant en de ander zittend aan de linkerkant zitten te schrijven.
mā yalfiẓu min qawlin illā ladayhi raqībun ʿatīdun
Geen woord uit hij, of de bewaker staat bij hem klaar.
wajāat sakratu l-mawti bil-ḥaqi dhālika mā kunta min'hu taḥīdu
En de toestand van de dood zal echt komen: “Dit is wat jullie wilden ontvluchten.”
wanufikha fī l-ṣūri dhālika yawmu l-waʿīdi
En de trompet zal geblazen worden. Dat zal de dag zijn waarvoor de waarschuwing (gegeven is).