De Verzameling
الحشر
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
sabbaḥa lillahi mā fī l-samāwāti wamā fī l-arḍi wahuwa l-ʿazīzu l-ḥakīmu
Wat er in de hemelen en op aarde is prijst de Glorie van Allah. En Hij is de Almachtige, de Alwijze.
huwa alladhī akhraja alladhīna kafarū min ahli l-kitābi min diyārihim li-awwali l-ḥashri mā ẓanantum an yakhrujū waẓannū annahum māniʿatuhum ḥuṣūnuhum mina l-lahi fa-atāhumu l-lahu min ḥaythu lam yaḥtasibū waqadhafa fī qulūbihimu l-ruʿ'ba yukh'ribūna buyūtahum bi-aydīhim wa-aydī l-mu'minīna fa-iʿ'tabirū yāulī l-abṣāri
Hij is Degene Die de ongelovigen onder de mensen van het Boek uit hun woonplaatsen heeft verdreven bij de eerste verzameling (daartoe). Jullie dachten dat zij niet weg zouden gaan. En zij dachten dat hun forten hen tegen Allah zouden beschermen! Maar Allah’s (bestraffing) bereikte hen van een plaats vanwaar zij het niet verwachten, en Hij veroorzaakte schrik in hun harten. Zij vewoestten hun huizen met hun eigen handen en (die werden verwoest) door de handen van de gelovigen. Neem het als vermaning o, jullie bezitters van inzicht!
walawlā an kataba l-lahu ʿalayhimu l-jalāa laʿadhabahum fī l-dun'yā walahum fī l-ākhirati ʿadhābu l-nāri
En ware het niet dat Allah de verbanning voor hen bepaald had, dan zou Hij hen zeker hebben gestraft in het wereldse leven. En in het Hiernamaals zal voor hen de bestraffing van het Vuur zijn.
dhālika bi-annahum shāqqū l-laha warasūlahu waman yushāqqi l-laha fa-inna l-laha shadīdu l-ʿiqābi
Dat is omdat zij Allah en Zijn Boodschapper tegenwerkten. En wie Allah tegenwerkt, waarlijk, Allah is streng in de bestraffing.
mā qaṭaʿtum min līnatin aw taraktumūhā qāimatan ʿalā uṣūlihā fabi-idh'ni l-lahi waliyukh'ziya l-fāsiqīna
Wat jullie omhakken van de palmbomen, of wat jullie op hun wortels laten staan; het gebeurde met de toestemming van Allah. En zodat Allah de zwaar zondigen vergeldt.
wamā afāa l-lahu ʿalā rasūlihi min'hum famā awjaftum ʿalayhi min khaylin walā rikābin walākinna l-laha yusalliṭu rusulahu ʿalā man yashāu wal-lahu ʿalā kulli shayin qadīrun
En wat Allah aan buit aan Zijn Boodschapper geeft van hen: jullie hebben daartoe geen paarden en geen lastdieren aangespoord. Maar Allah geeft Zijn Boodschapper macht over wie Hij wil. En Allah is Almachtig over alle zaken.
mā afāa l-lahu ʿalā rasūlihi min ahli l-qurā falillahi walilrrasūli walidhī l-qur'bā wal-yatāmā wal-masākīni wa-ib'ni l-sabīli kay lā yakūna dūlatan bayna l-aghniyāi minkum wamā ātākumu l-rasūlu fakhudhūhu wamā nahākum ʿanhu fa-intahū wa-ittaqū l-laha inna l-laha shadīdu l-ʿiqābi
En wat Allah aan buit aan Zijn Boodschapper geeft van de mensen van de steden: het is voor Allah en Zijn Boodschapper, de verwanten, de wezen, de armen die bedelen en de reiziger zonder proviand, zodat het geen fortuin wordt dat door de rijken onder jullie wordt gebruikt. En wat de Boodschapper jullie ook geeft, neem het en wat hij jullie ook verbiedt, onthoudt jullie daarvan. En vrees Allah. Waarlijk, Allah is streng in de bestraffing
lil'fuqarāi l-muhājirīna alladhīna ukh'rijū min diyārihim wa-amwālihim yabtaghūna faḍlan mina l-lahi wariḍ'wānan wayanṣurūna l-laha warasūlahu ulāika humu l-ṣādiqūna
(De buit is) voor de armen van de uitgewekenen, degenen die zijn verdeven uit hun woonplaatsen en van hun eigendommen, zoekend naar een gunst en welbehagen van Allah. En zij helpen Allah en Zijn Boodschapper. Dat zijn zeker de waarachtigen.
wa-alladhīna tabawwaū l-dāra wal-īmāna min qablihim yuḥibbūna man hājara ilayhim walā yajidūna fī ṣudūrihim ḥājatan mimmā ūtū wayu'thirūna ʿalā anfusihim walaw kāna bihim khaṣāṣatun waman yūqa shuḥḥa nafsihi fa-ulāika humu l-muf'liḥūna
En degenen die vóór hen huizen hadden (in Medina) en tot het geloof gekomen waren, zij houden van degenen die naar hen emigreerden, en zij hebben geen jaloersheid in hun harten op wat (aan hen) gegeven is. En zij geven aan hen de voorkeur boven henzelf, zelfs als zij het nodig hebben. En wie zich hoedt voor zijn eigen vrekkigheid: zij behoren zeer zeker tot de" succesvollen.
wa-alladhīna jāū min baʿdihim yaqūlūna rabbanā igh'fir lanā wali-ikh'wāninā alladhīna sabaqūnā bil-īmāni walā tajʿal fī qulūbinā ghillan lilladhīna āmanū rabbanā innaka raūfun raḥīmun
En degenen die na hen kwamen zeiden: “Onze Heer! Vergeef ons en onze broeders die ons zijn voorgegaan in het geloof, en breng in onze harten geen haat tegen de gelovigen. Onze Heer! U bent inderdaad vol vriendelijkheid, de Genadevolle.”
alam tara ilā alladhīna nāfaqū yaqūlūna li-ikh'wānihimu alladhīna kafarū min ahli l-kitābi la-in ukh'rij'tum lanakhrujanna maʿakum walā nuṭīʿu fīkum aḥadan abadan wa-in qūtil'tum lananṣurannakum wal-lahu yashhadu innahum lakādhibūna
Heb jij de hypocrieten niet gezien, zij zeggen tot hun broeders die ongelovig zijn onder de mensen van het Boek: "(Bij Allah) als jullie verbannen worden, zullen wij met jullie samen vertrekken. En wij zullen nooit iemand die tegen jullie is gehoorzamen, en als jullie worden aangevallen zullen wij jullie zeker helpen.” Maar Allah getuigt dat zij zeker leugenaars zijn.
la-in ukh'rijū lā yakhrujūna maʿahum wala-in qūtilū lā yanṣurūnahum wala-in naṣarūhum layuwallunna l-adbāra thumma lā yunṣarūna
Zeker, als zij verbannen worden, dan zullen zij niet met hen wegtrekken; en als zij aangevallen worden, zullen zij hen niet helpen. En als zij hen helpen, dan keren zij hun rug toe, zodat zij niet geholpen worden.
la-antum ashaddu rahbatan fī ṣudūrihim mina l-lahi dhālika bi-annahum qawmun lā yafqahūna
Waarlijk, zij hebben in hun harten meer angst voor jullie dan voor Allah. Dat is omdat zij een volk zijn dat niet begrijpt.
lā yuqātilūnakum jamīʿan illā fī quran muḥaṣṣanatin aw min warāi judurin basuhum baynahum shadīdun taḥsabuhum jamīʿan waqulūbuhum shattā dhālika bi-annahum qawmun lā yaʿqilūna
Zij vechten niet tegen jullie, zelfs niet gezamenlijk, behalve in versterkte steden of achter muren. Ofschoon zij onderling grote dapperheid tonen. Jullie zouden denken dat zij verenigd waren, maar hun harten zijn verdeeld, dat is omdat zij een volk zijn dat niet begrijpt.
kamathali alladhīna min qablihim qarīban dhāqū wabāla amrihim walahum ʿadhābun alīmun
Zij zijn zoals degenen die een korte tijd vóór hen (leden); zij hebben het kwade gevolg van hun gedrag geproefd en voor hen is er een pijnlijke bestraffing.
kamathali l-shayṭāni idh qāla lil'insāni uk'fur falammā kafara qāla innī barīon minka innī akhāfu l-laha rabba l-ʿālamīna
(De bedrieglijke uitspraken van de hypocrieten zijn) zoals (die van) Sjaitaan toen hij tegen de mens zei: “Geloof niet (in Allah)!” Maar zodra de mens ongelovig werd (in Allah), zei Sjaitaan: “Ik ben niet verantwoordelijk voor jullie en ik vrees Allah, de Heer der Werelden.”
fakāna ʿāqibatahumā annahumā fī l-nāri khālidayni fīhā wadhālika jazāu l-ẓālimīna
Het gevolg voor beiden (de huichelaars en de Joden) zal zijn dat zij in de Hel zullen "zijn, zij zullen daarin eeuwig levenden zijn. Dat is de vergelding van de onrechtvaardigen.
yāayyuhā alladhīna āmanū ittaqū l-laha waltanẓur nafsun mā qaddamat lighadin wa-ittaqū l-laha inna l-laha khabīrun bimā taʿmalūna
O, jullie die geloven! Vrees Allah. En laat iedereen kijken naar wat hij voor de volgende dag vooruit heeft gestuurd, en vrees Allah. Waarlijk, Allah is Alziend over wat jullie doen.
walā takūnū ka-alladhīna nasū l-laha fa-ansāhum anfusahum ulāika humu l-fāsiqūna
En wees niet zoals degenen die Allah vergaten,waarop Hij hen zichzelf deed vergeten. Dat zijn de overtreders.
lā yastawī aṣḥābu l-nāri wa-aṣḥābu l-janati aṣḥābu l-janati humu l-fāizūna
De bewoners van de Hel en de bewoners van het Paradijs zijn niet gelijk. Het zijn de bewoners van het Paradijs die zullen slagen.