De Djinn
الجن
Reciteur: Mishary Rashid Alafasy
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
qul ūḥiya ilayya annahu is'tamaʿa nafarun mina l-jini faqālū innā samiʿ'nā qur'ānan ʿajaban
(O Mohammed), zeg: “Er is aan mij geopenbaard dat een groep Djinn heeft meegeluisterd.” En zij zeiden (tegen hun mede-Djinn): “Waarlijk! Wij hebben een wonderbaarlijke recitatie gehoord (tijdens het ochtendgebed)!
yahdī ilā l-rush'di faāmannā bihi walan nush'rika birabbinā aḥadan
Zij (de recitatie) leidt naar het rechte Pad en wij geloven daarin en (na deze dag) zullen wij nooit meer deelgenoten aan onze Heer toekennen.
wa-annahu taʿālā jaddu rabbinā mā ittakhadha ṣāḥibatan walā waladan
En verheven is de Majesteit van onze Heer. Hij heeft zich geen vrouw genomen noch een zoon.
wa-annahu kāna yaqūlu safīhunā ʿalā l-lahi shaṭaṭan
En de dwazen onder ons plachten leugens te vertellen over Allah.
wa-annā ẓanannā an lan taqūla l-insu wal-jinu ʿalā l-lahi kadhiban
En waarlijk, wij dachten dat de mensen en de Djinns nooit een leugen over Allah zouden vertellen.
wa-annahu kāna rijālun mina l-insi yaʿūdhūna birijālin mina l-jini fazādūhum rahaqan
En waarlijk, er waren mannen onder de mensheid die bescherming zochten bij de (mannelijke) Djinn (uit vrees voor ongeluk tijdens hun reizen), maar zij deden hen enkel in zonde en ongeloof toenemen.
wa-annahum ẓannū kamā ẓanantum an lan yabʿatha l-lahu aḥadan
En zij dachten zoals jullie dachten: dat" Allah geen boodschapper zou sturen.
wa-annā lamasnā l-samāa fawajadnāhā muli-at ḥarasan shadīdan washuhuban
En wij hebben geprobeerd de hemel te bereiken (om af te luisteren), maar vonden haar gevuld met nauwlettende (poort)wachters, (die ons bekogelden met) vurige vlammen (vallende sterren).
wa-annā kunnā naqʿudu min'hā maqāʿida lilssamʿi faman yastamiʿi l-āna yajid lahu shihāban raṣadan
En waarlijk, wij verscholen ons daar op plaatsen om iets op te vangen, maar wie nu wil meeluisteren (na de openbaring aan Mohammed) treft een pijl van vuur aan die op hem loert.
wa-annā lā nadrī asharrun urīda biman fī l-arḍi am arāda bihim rabbuhum rashadan
En dat wij niet weten of er kwaad bedoeld wordt voor degenen die op aarde zijn, of dat hun Heer hun op het rechte Pad heeft voorbestemd.
wa-annā minnā l-ṣāliḥūna waminnā dūna dhālika kunnā ṭarāiqa qidadan
Er dat er onder ons rechtschapenen zijn (na het horen van de Koran) en dat er onder ons zijn die dat niet zijn. Wij waren op verschillende wegen.
wa-annā ẓanannā an lan nuʿ'jiza l-laha fī l-arḍi walan nuʿ'jizahu haraban
En dat wij er van overtuigd zijn dat wij op de aarde Allah nooit kunnen ontkomen en dat wij nooit van Hem kunnen wegvluchten.
wa-annā lammā samiʿ'nā l-hudā āmannā bihi faman yu'min birabbihi falā yakhāfu bakhsan walā rahaqan
En dat, toen wij over de rechte Leiding hadden gehoord, wij erin geloofden. En wie in Zijn Heer gelooft: hij zal geen vermindering (in de beloning van zijn goede daden) en geen vermeerdering (van zondigheid) vrezen.
wa-annā minnā l-mus'limūna waminnā l-qāsiṭūna faman aslama fa-ulāika taḥarraw rashadan
Sommigen onder ons zijn moslim, en onder ons zijn er die afwijken (van het rechte Pad). En iedereen die de islam omhelst, heeft het rechte Pad gekozen.
wa-ammā l-qāsiṭūna fakānū lijahannama ḥaṭaban
En wat de afwijkenden betreft: zij zijn brandhout voor de Hel.”
wa-allawi is'taqāmū ʿalā l-ṭarīqati la-asqaynāhum māan ghadaqan
(En Allah zegt:) “Als zij op het rechte Pad zouden zijn gebleven, dan zouden Wij hun overvloedig water te drinken gegeven hebben.
linaftinahum fīhi waman yuʿ'riḍ ʿan dhik'ri rabbihi yasluk'hu ʿadhāban ṣaʿadan
Om hen daarmee te beproeven. En wie zich afwendt van de overdenking van zijn Heer, die voert Hij naar een strenge bestraffing.”
wa-anna l-masājida lillahi falā tadʿū maʿa l-lahi aḥadan
En voorwaar, de moskeeën behoren aan Allah toe: roep daarom niemand naast Allah aan!
wa-annahu lammā qāma ʿabdu l-lahi yadʿūhu kādū yakūnūna ʿalayhi libadan
Wanneer de dienaar van Allah (Mohammed) opstond om Hem aan te "roepen in het gebed, vormden zij om hem heen een grote menigte, alsof zij aan elkaar plakten.
qul innamā adʿū rabbī walā ush'riku bihi aḥadan
Zeg: “Ik roep alleen mijn Heer aan en ik vereenzelvig niemand met Hem.”